Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen:
op verzoek van de vergunninghouder;
wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen
beroep of bedrijf meer uitoefent in het (deel)gebied, waarvoor
de vergunning is verleend;
wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de
omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de
vergunning;
indien de vergunning als gevolg van een kennelijke misslag is
verleend;
wanneer voor het betreffende (deel)gebied het stelsel van
vergunningen komt te vervallen;
wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de
vergunning verbonden voorschriften;
wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste
gegevens zijn verstrekt;
om redenen van openbaar belang;
wanneer de vergunning door diefstal, verlies of vermissing niet
meer in bezit is van de vergunninghouder;
wanneer het voor de vergunning verschuldigde bedrag niet of niet
binnen een redelijke termijn is voldaan.
Hoofdstuk 1
Artikel 3