Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 9

Artikel 9

Onderdeel van Verordening inzake speelautomaten

De burgemeester zal de vergunning intrekken: indien blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder e van deze verordening; indien de exploitatie van een speelautomatenhal, op grond van een besluit van de ondernemer, voor een periode van langer dan zes maanden wordt onderbroken; indien de aanwezigheidsvergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet is ingetrokken, dan wel niet opnieuw is verleend; na overtreding van de Opiumwet op grond van de zgn. Wet Damocles. De burgemeester kan de vergunning intrekken: indien het DEKRA-keurcertificaat is verloren door de ondernemer; indien gehandeld wordt in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen; In de gevallen bedoeld in het eerste en tweede lid, met uitzondering van het eerste lid onder d, kan de burgemeester alvorens de vergunning in te trekken de vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen een daartoe te bepalen termijn tot herstel van de tekortkoming over te gaan. Intrekking van de vergunning geschiedt niet, spoedeisende gevallen uitgezonderd, voordat de vergunninghouder bij aangetekende brief van dit voornemen in kennis is gesteld. Daarbij wordt hem medegedeeld, dat hij in de gelegenheid wordt gesteld om in persoon of bij gemachtigde door de burgemeester of een door deze aangewezen ambtenaar te worden gehoord.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel