**1..** Het is verboden zonder vrijstelling van het college de weg of
een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de
publieke functie daarvan.
**2..** Het verbod is niet van toepassing op:
vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen
gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of
goederen en niet voor commerciële doeleinden worden
gebruikt;
zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor
voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:
geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven
dat gedeelte bevindt;
geen onderdeel van het scherm, in welke stand
dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van
het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de
weg bevindt;
geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de
opgaande gevel reikt;
de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze
kortstondig op de weg gebracht worden in verband met
laden of lossen ervan en mits degene die de
werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt,
dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval
voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg
verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;
voertuigen, met uitzondering van voertuigen in
gestempelde toestand, zoals bijvoorbeeld hijskranen en
kraanwagens;
voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens
worden geopenbaard mits deze door hun omvang of
vormgeving, constructie of plaats van bevestiging geen
schade aan de weg toebrengen, geen gevaar opleveren voor
de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en
veilig gebruik van de weg en geen belemmering vormen
voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
terrassen als bedoeld in artikel 2:28a ;
standplaatsen als bedoeld in artikel5:18.
**3..** Een vrijstelling bedoeld in het eerste lid kan worden
geweigerd:
indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
gevaar oplevert voor de
bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en
veilig gebruik daarvan, dan wel
een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
onderhoud van de
weg;
in het belang van de voorkoming of beperking van
overlast voor gebruikers van de
in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
**4..** Het verbod in het eerste lid geldt niet:
voor de categorieën van voorwerpen die door het bevoegde
bestuursorgaan zijn
aangewezen waarbij de nadere regels die voor
categorieën van voorwerpen zijn
gesteld in acht moeten worden genomen;
voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
voorzien door de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
Wegenverordening.
**5..** De weigeringsgrond van het derde lid, onder a , geldt niet voor
zover in het daarin
geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
Wegenverkeerswet
**6..** De weigeringsgrond van het derde lid, onder b, geldt niet voor
zover in het geregelde
onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
**7..** Een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid is niet vereist
indien voor het betreffende
gebruik een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid, onder a, van de
Wabo is vereist.
**8..** Een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid gestelde is
eveneens niet vereist indien
voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
er is tenminste 7 werkdagen voorafgaand aan de plaatsing van
het object een melding
gedaan aan het college; en voor zover het betreft:
spandoeken;
ballonnen;
gevel- en/of rolsteigers en hekwerken, mits deze niet
langer dan drie achtereenvolgende dagen op het trottoir
worden geplaatst en tenminste 1,50 meter vrije ruimte
voor voetgangers overblijft;
container, mits:
deze niet langer dan drie maanden in een
parkeervak wordt geplaatst zonder dat er sprake is
van overlast; en
de lengte niet meer dan 5,00 meter en de breedte
niet meer dan 2,25 meter bedraagt;
een reclamebord op de stoep direct voor de betreffende
winkel mits de afmetingen niet groter zijn dan 60 cm
breed en niet hoger dan 100 cm en geen hinder geven aan
voorbijgangers.
**9..** Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare
orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten
aanzien van het plaatsen van reclame-uitingen.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen,
beschadigen en veranderen van een weg
Het is verboden zonder of in afwijking van een
vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan
op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard
of breedte van de wegverharding te veranderen of
anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg
van een weg.
De vergunning:
wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd
gezag op grond van artikel 2.1 van de Wabo, indien het
uit te voeren project bestaat uit het geheel of
gedeeltelijk uitvoeren van een werk, geen bouwwerk
zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij
een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan
of voorbereidingsbesluit is bepaald; of
kan worden verleend door het college in de overige
gevallen (artikel 2.2 van de Wabo).
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing
indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar
lichaam publieke taken worden verricht.
Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties
waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht,
de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale
wegenverordening, de waterschapskeur, de
Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
Telecommunicatieverordening.
Op de vergunning bedoeld in het eerste lid, is paragraaf
4.1.3.3. van de Awb (positieve fictieve beschikking bij
niet tijdig beschikken) van toepassing.
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg
Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd
gezag:
een uitweg te maken naar de weg;
van de weg gebruik te maken voor het hebben van een
uitweg;
verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de
weg.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
daaronder verstaat.
De vergunning kan worden geweigerd:
in het belang van de bruikbaarheid van de weg;
in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de
weg;
in het belang van de bescherming van het uiterlijk
aanzien van de omgeving;
in het belang van de bescherming van openbare
groenvoorzieningen in de gemeente;
indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat
al door een andere uitweg wordt ontsloten en de aanleg
van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare
parkeerplaats of openbaar groen.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer
Rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de
Provinciale wegenverordening.
Artikel 2:12a Verbod voorwerpen aan gemeentelijke
eigendommen
Het is verboden om voorwerpen vast te maken aan gemeentelijke
eigendommen.
Afdeling 6 Veiligheid op de weg
Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid
(Vervallen)
Artikel 2:14 Winkelwagentjes
De winkelier die winkelwagens ter beschikking stelt is
verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf
of een ander herkenningsteken, en de in de omgeving van
dat bedrijf door het publiek op of langs de weg
achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of
te doen verwijderen.
Het is verboden een winkelwagentje na gebruik, onbeheerd
op andere dan daarvoor bestemde, als zodanig herkenbare,
plaatsen achter te laten.
Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op
situaties waarin wordt voorzien door de Wet
milieubeheer.
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije
uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het
wegverkeer hinder of gevaar oplevert.
Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar
te maken of af te dekken.
Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.
(Vervallen)
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
Het is verboden te roken in bossen, op heide of
veengronden dan wel in duingebieden of binnen een
afstand van dertig meter daarvan.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan
wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd
meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft,
brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg
te werpen of te laten liggen.
De verboden in het eerste en tweede lid zijn niet van
toepassing op situaties waarin wordt voorzien door
artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van
Strafrecht.
De verboden genoemd in het eerste en tweede lid zijn
voorts niet van toepassing indien het roken plaatsvindt
in gebouwen en op aangrenzende erven.
Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
(brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei
wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere
scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen
lager dan 2,6 meter boven dat gedeelte van de weg.
Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad,
puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere
afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op
van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn
aangebracht.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg
verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
daaronder verstaat.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de
Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:20 Vallende voorwerpen
(Vervallen)
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te
laten dat op of aan dat bouwwerk, voorwerpen, borden of
voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de
openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden,
gewijzigd of verwijderd.
Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op
situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet
1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet
Privaatrecht.
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn
Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan
weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van
bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand
houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te
merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen
of te hebben.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde
verbod ontheffing verlenen indien de elektrische
spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat
toelaat.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
objecten die deel uitmaken van de
hoogspanningslijn.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs
Het is verboden:
voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het
verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in
gevaar te brengen;
bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten
te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige
andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te
belemmeren.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin
wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de
Provinciale vaarwegenverordening.
Afdeling 7Evenementen
Artikel 2:24 Begripsbepaling
1 In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor
publiek toegankelijke
verrichting van vermaak, met uitzondering van:
bioscoopvoorstellingen;
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
van de Gemeentewet en artikel 5:22
van deze verordening;
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
het in een inrichting in de zin van de Drank- en
horecawet gelegenheid geven tot dansen;
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
de Wet openbare manifestaties;
activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze
verordening.
Onder evenement wordt mede verstaan:
een herdenkingsplechtigheid;
een braderie;
een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in
artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
weg;
een klein evenement.
een vechtsportgala
het plaatsen van WK-schermen in de publieke
ruimten.
Onder klein evenement wordt verstaan: een kleinschalig
evenement als bedoeld in artikel 2:25, derde
lid, met een maximale duur van
één dag.
Artikel 2:25 Evenement
Het is verboden zonder vergunning of in afwijking van
een vergunningvan de burgemeester een
evenement te organiseren.
a. De organisator c.q. vergunning aanvrager van door de
burgemeester aan te
wijzen categorieën vergunningplichtige vechtsportwedstrijden of
-gala’s, is niet van slecht levensgedrag.
De burgemeester weigert de vergunning als de organisator
c.q. vergunning
aanvrager van een evenement als bedoeld in het tweede
lid, onder a, van
slecht levensgedrag is, onverminderd het bepaalde in
artikel 1:8 en het
genoemde in het derde lid.
Onverminderd het bepaalde inartikel
1:8 kan de vergunning worden
geweigerd in het belang van:
het voorkomen of beperken van overlast;
de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
goederen;
de zedelijkheid of gezondheid.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
toepassing opeendaagse evenementen, indien een
evenement voldoet aan alle onderstaande
voorwaarden:
het een kleinschalig evenement in de openlucht
betreftmet uitzondering vande door
het college aangewezen wegen, straten en pleinen
;
het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 50
personen;
het evenement tussen 09.00 en 23.30 uur
plaatsvindt;
niet langer dan tot 23.30 uur (live-)muziek ten gehore
wordt gebracht;
de hulpdiensten te allen tijde doorgang wordt verleend,
ook in het geval dat het evenement plaats vindt op de
openbare weg;
slechts kleine objecten worden geplaatst met een
oppervlakte van minder dan 10 m2 per object;
er een organisator is;
de organisator tenminste 7 werkdagen voorafgaand aan het
evenement daarvan een melding heeft gedaan aan de
burgemeester;
de wegafzetting, indien van toepassing, te allen tijde
duidelijk zichtbaar is;
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
toepassing op een wedstrijd op of aan de wegin
situaties waarin wordt voorziendoor artikel 10
juncto148 van de Wegenverkeerswet 1994.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:26 Ordeverstoring
Het is verboden bij een evenement de orde te
verstoren.
Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27 Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
Openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke,
besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang
alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of
dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor
directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een
openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een
hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar,
discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder openbare
inrichting wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf
behorend terras en andere aanhorigheden;
terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting
liggend deel van de openbare inrichting waar
zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen
vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen
voor directe consumptie kunnen worden bereid, verstrekt
of genuttigd.
exploitant: natuurlijke persoon of rechtspersoon voor
wiens rekening en risico een openbare inrichting wordt
geëxploiteerd op grond van het bepaalde in artikel
2:28 of 2:29.
leidinggevende: de natuurlijke persoon, die algemene
leiding of onmiddellijke leiding geeft aan de openbare
inrichting,alsmede de bestuurder van een rechtspersoon
voor wiens rekening en risico de openbare inrichting
wordt geëxploiteerd;
Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren
zonder vergunning van de burgemeester.
De burgemeester weigert de vergunning indien de
vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in
strijd is met een geldend bestemmingsplan.
In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de
vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar
zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en
leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting
of openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt
beïnvloed.
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting
die zich bevindt in
een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de
openbare inrichting een ondersteunende activiteit vormen
van de winkelactiviteit;
een zorginstelling;
een museum; of
een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant.
5 Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde
weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter
van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is
gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare
inrichting,de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds
blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie, de
wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de
leidinggevende en het levensgedrag van de exploitant of
leidinggevende.
a. De exploitant en de leidinggevende(n) van een
horecabedrijf
staan niet onder curatele of bewind en
zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag.
De leidinggevende heeft de leeftijd van eenentwintig
jaar bereikt
7 In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de
burgemeester in geval van
een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer
bij de openbare inrichting behorende terrassen voor zover deze
zich op de weg bevinden over de
ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.
Onverminderd het gestelde in het derde en vijfde lid kan
de burgemeester de in het zevende lid bedoelde
ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer
bij een openbare inrichting horende terrassen
weigeren:
indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg
dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg
of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
indien het terras in strijd is met het ter plaatse
geldende bestemmingsplan.
Het bepaalde in het zevende en achtste lid geldt niet
voorzover in het daarin
geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
rijkswaterstaatwerken of
de op grond van de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde
Provinciale
wegenverordening.
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:28a Terrasvergunning zonder exploitatievergunning
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester de
openbare weg in gebruik te nemen ten behoeve van een
terras, behorende bij een horecabedrijf waarvoor het
bepaalde in artikel 2.28 niet geldt.
De burgemeester kan de vergunning weigeren indien:
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en
leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting
of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt
beïnvloed door de aanwezigheid van de openbare
inrichting;
het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel
gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor
het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
dat gebruik een belemmering kan worden voor het
doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
Bij de toepassing van de in het tweede lid, aanhef en
onder a, genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester
rekening met het karakter van de straat en de wijk,
waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen,
de aard van de openbare inrichting en de spanning,
waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of
bloot zal komen te staan door de exploitatie van de
openbare inrichting.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor
zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de op grond
van de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde Provinciale
wegenverordening.
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:29 Sluitingstijden
Het is de houder van een openbare inrichting verboden
dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers
toe te laten of te laten verblijven op maandag tot en
met vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur en op zaterdag
en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur.
De burgemeester kan door middel van een
vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen
voor een afzonderlijke openbare inrichting of een
daartoe behorend terras.
Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor
zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
door op de Wet milieubeheer gebaseerde
voorschriften.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van
bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare
inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel
2.3.1.4 geldende sluitingstijden vaststellen of
tijdelijk sluiting bevelen.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in
het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen
Het is verboden in een openbare inrichting:
de openbare orde te verstoren;
zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd
dat de openbare inrichting gesloten dient te zijn op
grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste
lid;
op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan
personen die geen gebruik maken van de zitplaatsen die
aanwezig zijn op het terras.
Het is bezoekers verboden zich in een openbare inrichting te
bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel
2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit
gesloten dient te zijn.
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen
In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de
handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene
maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste
lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De exploitant of leidinggevende van een horecabedrijf
laat niet toe dat een handelaar of een voor hem
handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft,
verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan
Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
gebouw en behorende erf is in de zin van artikel 174 van de
Gemeentewet, treedt het college bij toepassing van artikel 2:28
tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
nachtverblijf
Artikel 2:35 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder:
inrichting : elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de
uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid
van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt
verschaft;
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt,
verplaatst, of de exploitatie of feitelijke leiding
van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie
dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de
burgemeester.
Artikel 2.:37 Nachtregister
(vervallen)
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de
kampeerder is verplicht aan de exploitant of feitelijk
leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid
naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats,
betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te
verstrekken.
Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden
Hoofdstuk 2 › Afdeling 5
Artikel 2:10
Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Ouder-Amstel 2013
Verwijzingen
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 429
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 160
- artikel 2
- artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
- artikel 5
- artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 10
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 437
- Artikel 2
- artikel 13b van de Opiumwet
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2
- artikel 174 van de Gemeentewet