1. De belasting bedraagt per perceel, per maand van het belastingtijdvak:
a. indien dat perceel bij aanvang van het belastingtijdvak of,
indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingtijdvak
bij aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt door één persoon € 14,91;
b. indien dat perceel bij aanvang van het belastingtijdvak of,
indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingtijdvak
bij aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt door meer dan één persoon € 17,85.
2. Voor de beoordeling van de belastingplicht en voor de toepassing van de maatstaf van heffing en tarief, overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, gelden de omstandigheden die op 1 januari van het belastingjaar aanwezig zijn.
3. Indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar, gelden voor de in het tweede lid bedoelde beoordeling, de omstandigheden die bij aanvang van de belastingplicht aanwezig zijn.
Hoofdstuk II
Artikel 5