Op de aanvraag om een gemeentegarantie volgt een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De bevoegdheid om te besluiten tot het verstrekken of het intrekken van een gemeentegarantie wordt aan het college toegekend. De kaders voor de garantieverstrekking worden bepaald door de raad.
Voor het besluit van garantstelling door het college is de zgn. “voorhangprocedure” van artikel 169, vierde lid, van de Gemeentewet van toepassing: het college neemt geen besluit dan nadat de raad zijn wensen en bedenkingen ter zake ter kennis van het college heeft kunnen brengen. Dit volgt uit artikel 8, negende lid, van de Financiële Verordening 2011 gemeente Leiden (Rb11.0032), waarin deze voorhangprocedure is voorgeschreven. In de Financiële Verordening is ervoor gekozen om alle garantstellingen aan de raad voor te leggen voor het kenbaar maken van wensen en bedenkingen, dus ook voor garantstellingen < € 500.000. Niet alleen de financiële risicopositie van de gemeente is in het geding maar ook of de investering waarvoor met gemeentegarantie een lening wordt afgesloten, het publieke belang dient. Bovendien is de mogelijkheid van staatssteun bij garantstelling een af te wegen factor.