De voor een kalenderjaar vastgestelde tegemoetkoming wordt gewijzigd of beëindigd indien:
de ouder niet meer voldoet aan de bepalingen van de wet;
niet meer behoort tot de gemeentelijke doelgroep, zoals genoemd in artikel 22 van de wet;
een kind geen of minder uren gebruik maakt van kinderopvang, dan waarop de vastgestelde tegemoetkoming is gebaseerd;
zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 7 lid 2 en daardoor naar het oordeel van het college minder uren kinderopvang noodzakelijk zijn dan waarop de tegemoetkoming is gebaseerd.