Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2:

Artikel 2.1

Aanleiding tot een onderzoek

Onderdeel van Protocol integriteitsschendingen

Een melding en/of constatering van een vermoedelijke schending zal niet altijd leiden tot een onderzoek. Zeker als het om een lichte schending gaat waarbij zowel de schending als de ernst ervan goed zijn vast te stellen (bijv. veel kopiëren voor eigen gebruik, vaak bezoeken van niet werkgerelateerde internetsites) zal het bevoegd gezag niet snel besluiten tot een uitgebreid onderzoek. In dergelijke situaties bij een ambtenaar wordt de leidinggevende geïnformeerd die vervolgens de nodige maatregelen neemt: een stevig gesprek en eventuele (disciplinaire) maatregelen. Bij politieke ambtsdragers neemt het bevoegd gezag deze rol op zich. Uiteraard worden schending en afhandeling wel geregistreerd. Er vindt dus alleen een integriteitsonderzoek plaats als het bevoegd gezag – mede op basis van het advies over de melding – daar aanleiding toe ziet. Een dergelijk onderzoek heeft ingrijpende gevolgen voor de persoon in kwestie, eventuele andere betrokkenen en de organisatie. Daarom is het belangrijk (opnieuw) zorgvuldig af te wegen of de eventuele gevolgen van een onderzoek (bijv. beschadiging van de persoon in kwestie) in redelijke verhouding staan tot de ernst van de vermoedelijke schending en de gevolgen daarvan voor de organisatie. Voor het verdere vervolg maakt het niet wezenlijk uit of er sprake was van een anonieme of een niet-anonieme melding, behalve als de ‘kale’ anonieme melding de enige informatiebron is en blijft. Dan zal in het vervolg van de zaak de geringe bewijskracht van de anonieme melding een rol gaan spelen.

Rechtspraak bij dit artikel