Het college besluit in voorkomende gevallen als richtlijn te hanteren de circulaire van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 juli 1977, nr. AB 77/U300 betreffende buitengewoon verlof ten behoeve van adoptie.
Inhoud circulaire
Het adopteren van een kind zal voor de adoptiefouders de noodzaak met zich kunnen meebrengen tot het doen van bepaalde verrichten buiten hun normale vrije tijd. In de praktijk blijkt, dat als het gaat om (al dan niet) verlenen van buitengewoon verlof, op uiteenlopende wijze wordt gehandeld.
Het is wenselijk, dat aan de behoefte aan extra verlof in verband met de adoptie van een kind zoveel mogelijk wordt tegemoet gekomen. Het is eveneens wenselijk, dat in het algemeen eenzelfde gedragslijn wordt gehanteerd.
Daarom is besloten, tenzij het dienstbelang zich ertegen verzet, met toepassing van artikel 33e van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of artikel 30g van het Arbeidsovereenkomstenbesluit aan de ambtenaar of arbeidscontractant voor het verrichten van bezigheden hier te lande, die verband houden met de adoptie van een kind, op verzoek buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging zal worden verleend tot een maximum van 5 dienstdagen per geval.
Indien het dienstbelang het toelaat zal bovendien, in geval van adoptie van een buitenlands kind, met toepassing van evengenoemde bepalingen desgevraagd buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging worden verleend, wanneer verlof noodzakelijk is om betrokkene in staat te stellen in het betreffende land het nodige te verrichten. Dit verlof kan per geval van adoptie éénmaal worden verleend voor de duur van de noodzakelijk reis- en verblijftijd met een maximum van een maand.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.1.
Buitengewoon verlof ten behoeve van adoptie
Onderdeel van Vakantieregeling en overige verlofaanspraken