Naar hoofdinhoud

Afdeling III

Artikel 14

Artikel 14

Onderdeel van Verordening parkeervergunningen De Ronde Venen 2007

1.. Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze, met andere middelen, of met andere munten, dan aangegeven op of nabij de parkeerapparatuur, in werking te stellen. 2.. Het is verboden op een parkeerapparatuurplaats gedurende de tijden waarop het parkeren daar slechts tegen betaling is toegestaan: een motorvoertuig te parkeren indien de parkeerapparatuur niet in werking is gesteld of niet onmiddellijk na aanvang van het parkeren in werking wordt gesteld; een motorvoertuig geparkeerd te houden indien de parkeerapparatuur aangeeft dat de parkeertermijn is verstreken. 3.. Het in het eerste lid vervatte verbod geldt niet wanneer aan de eigenaar of houder van het motorvoertuig een vergunning is verleend voor het parkeren op de betreffende categorie parkeerplaatsen, het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van een parkeervergunning en niet gehandeld wordt in strijd met de aan de parkeervergunning verbonden voorschriften en beperkingen. 4.. Het in het tweede lid vervatte verbod is niet van toepassing op parkeerapparatuurplaatsen waar op grond van de verordening parkeerbelastingen naheffingsaanslagen worden opgelegd wegens het niet betalen van het verschuldigde parkeergeld. 5.. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel.

Rechtspraak bij dit artikel