Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Afdeling 1

Artikel 4.6

(Geluid)hinder buiten een inrichting

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening 2014

1.. Het is verboden zich, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer,op zodanige wijze te gedragen dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt. Als veroorzaker van hinder wordt tevens aangemerkt degene die rechtens verantwoordelijk is voor het hinderveroorzakende object. 2.. Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen. 3.. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod, vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, (recreatie)toestellen, (bouw)machines of vrachtauto’s, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder. 4.. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen: -. het maximale geluidsniveau; -. de situering van geluidsbronnen; -. de frequentie en tijden van gebruik. 5.. Het verbod geldt niet, voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, het Vuurwerkbesluit of de provinciale milieuverordening. Afdeling 2 Bodem-, weg en milieuverontreiniging

Rechtspraak bij dit artikel