Naar hoofdinhoud
Lid 1. De voorzitter van de raad oefent namens de raad de in artikel 1, onder a en b, bedoelde bevoegdheden uit met betrekking tot de medewerkers van de griffie. Lid 2. De griffier oefent namens de raad de in artikel 1, onder c, d en e, bedoelde bevoegdheden uit met betrekking tot de medewerkers van de griffie, met dien verstande dat hun beoordeling namens de raad wordt vastgesteld door de voorzitter van de raad op voordracht van de griffier.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel