Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.3

Overige vergoedingen

Onderdeel van Verordening Inburgering

1.. 1.Het college kan een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt zijn in het kader vaninburgeringindien er geen voorliggende voorziening voorhanden is. 2.. Een eventuele vergoeding wordt vastgesteld op de goedkoopste adequate voorziening. 3.. Wanneer het inkomen van de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 2.1, hoger is dan dein aanmerking te nemen middelen voor draagkracht op grond van richtlijn B137 van de Beleidsregels WWB wordt geen vergoeding verstrekt. 4.. Voor het bepalen van een draagkracht is richtlijn B063 van de Beleidsregels WWB vanovereenkomstige toepassing. 5.. Een reiskostenvergoeding kan alleen worden verstrekt aan een inburgeringsplichtige diedeelneemt aan een gecombineerde voorziening. 6.. Voor een reisafstand tot 10 km vanaf het woonadres wordt aan de inburgeringsplichtigeals bedoeld in het vijfde lid geen reiskostenvergoeding toegekend. Deze inburgeringsplichtige wordt geacht deze afstand met een fiets te kunnen overbruggen, tenzij er een medische noodzaak is dat de inburgeringsplichtige zich niet met een fiets kan vervoeren. Een medische noodzaak wordt aangetoondmiddels een door het college op te vragen medisch advies, welke opgevraagd kan worden bij een door het college aangewezen instantie. De hoogte van de reiskostenvergoeding wordt dan vastgesteld conform het zevende of achtste lid. 7.. Voor een reisafstand vanaf 10 km vanaf het woonadres kan aan de inburgeringsplichtigeals bedoeld in het vijfde lid, een reiskostenvergoeding verstrekt worden op basis van de tarieven van het openbaar vervoer. Daarbij wordt uitgegaan van de dichtst bij het woonadres zijnde halte van het openbaar vervoer. Wanneer de inburgeringsplichtige tegelijkertijd met andere personen kan reizen met een eigen auto of een auto van een derde, waardoor deze wijze van reizen goedkoper is dan de reiskostenvergoeding op basis van de tarieven van het openbaar vervoer, geldt er voor deze wijze van reizen een reiskostenvergoeding conform het achtste lid. 8.. Wanneer de inburgeringsplichtige als bedoeld in het vijfde lid door een medischenoodzaak geengebruik kan maken van het openbaar vervoer en daardoor noodzakelijk gebruik moet maken van een eigen auto of een auto van een derde, bedraagt de vergoeding vanaf het woonadres € 0,19 per km, gebaseerd op de richtprijs van de Belastingdienst voor een onbelaste vergoeding per kilometer. Een medische noodzaak wordt aangetoond middels een door het college op te vragen medisch advies, welke opgevraagd kan worden bij een door het college aangewezen instantie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel