Het college kan ter uitvoering van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, degene die algemene bijstand ontvangt en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar.
Onder additionele werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden primair op de arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden verstaan die onder verantwoordelijkheid van het college in het kader van deze wet worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid, en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
Voor de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, worden werkzaamheden, verricht in het kader van een andere voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, voor maximaal zes maanden buiten beschouwing gelaten indien er naar het oordeel van het college een reëel uitzicht is op een dienstbetrekking bij degene bij wie de werkzaamheden worden verricht van dezelfde of grotere omvang die aanvangt tijdens of aansluitend op die zes maanden.
Voor de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, worden werkzaamheden verricht voor 1 januari 2007, buiten beschouwing gelaten.
Het college biedt aan degene die op grond van dit artikel additionele werkzaamheden verricht en die niet beschikt over een startkwalificatie na een periode van zes maanden na aanvang van die werkzaamheden een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aan in de vorm van scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de belanghebbende te boven gaat. Geen scholing of opleiding wordt aangeboden indien scholing of opleiding naar het oordeel van het college niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van belanghebbende.
Het college verstrekt aan belanghebbende, telkens nadat hij gedurende zes maanden op grond van dit artikel additionele werkzaamheden heeft verricht, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, indien hij naar het oordeel van het college in die zes maanden voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces.
Indien het college en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn overeengekomen dat artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van toepassing is op een persoon aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt, dient bij de toepassing van het eerste lid voor «algemene bijstand» te worden gelezen: uitkering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Met betrekking tot degene die op grond van het eerste lid additionele werkzaamheden verricht, beoordeelt het college na een periode van negen maanden na de aanvang van die werkzaamheden of de toepassing van dit artikel zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces heeft vergroot. Indien dat niet het geval is wordt het verrichten van de additionele werkzaamheden twaalf maanden na aanvang van die werkzaamheden beëindigd.
Met betrekking tot degene die op grond van het eerste lid additionele werkzaamheden verricht, beoordeelt het college voor afloop van de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, of de voortzetting daarvan met het oog op in de persoon gelegen factoren zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces aanmerkelijk verbetert. Indien dat het geval is, kan het college de termijn van twee jaar verlengen met een jaar, onder de voorwaarde dat de belanghebbende in het derde jaar in een andere omgeving andere additionele werkzaamheden verricht dan die hij in de eerste twee jaar heeft verricht.
Indien de termijn van twee jaar is verlengd op grond van het negende lid, beoordeelt het college voor afloop van het derde jaar of de voortzetting daarvan met het oog op in de persoon gelegen factoren zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces aanmerkelijk verbetert. Indien dat het geval is, kan het college de termijn nogmaals verlengen met een jaar.
Kader Participatieplaatsen, zoals op 9 juli 2009 vastgesteld door de Gemeenteraad
Inleiding
Op 1 januari 2009 is de wet Stimulering ArbeidsParticipatie, kortweg STAP, in werking getreden. De Eerste Kamer besloot hier eind december 2008 toe. In deze wet worden mogelijkheden geschapen voor gesubsidieerde arbeid voor uitkeringsgerechtigden waarvoor UWV verantwoordelijk is en er worden nadere regels gesteld waarbinnen werk met behoud van een bijstandsuitkering mogelijk is.
Voor wat betreft het laatste element is een aantal artikelen in de wet Werk en Bijstand aangepast.
Bij Koninklijk besluit is voorgeschreven dat voor 1 april 2009 de re-integratieverordening van gemeenten op dit punt aangepast dient te zijn. De wetgever wil de voorgeschreven rechten en plichten op dit onderwerp zo spoedig mogelijk implementeren. Om aan deze eis te voldoen is de raad in maart een aanpassing van de re-integratieverordening voorgesteld. Als gevolg van de collegecrisis is de behandeling van dit voorstel uitgesteld en wordt het kader opnieuw ter besluitvorming aan de raad voorgelegd. Dit biedt het algemene juridische kader voor het werken met behoud van uitkering. Nadere uitwerking wordt vervolgens door ons college in richtlijnen vastgelegd.
Voor het kader is het van belang dat de gemeenteraad zich uitspreekt over de manier waarop dit instrument in Utrecht een plek krijgt in het re-integratie-instrumentarium.
In deze notitie wordt kort ingegaan op de wet en wordt het voorstel voor de lokale invulling van dit instrument gedaan.
De wet STAP
De wet Stimulering ArbeidsParticipatie biedt op onderdelen een duidelijk kader, met als belangrijkste elementen:
het instrument wordt ingezet voor bijstandsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, waarbij instrumenten niet hebben geleid tot plaatsing op de reguliere arbeidsmarkt, als gevolg van persoonlijke werkbelemmeringen
er dient sprake te zijn van additioneel werk; dat wil zeggen: een speciaal gecreëerde functie of een al bestaande functie die een uitkeringsgerechtigde alleen met individuele begeleiding kan verrichten.
het college dient van oordeel te zijn dat inzet van dit instrument een positieve invloed heeft op de vergroting van kansen op de arbeidsmarkt en dient dit jaarlijks te toetsen
een maximale periode van vier jaar van werken met behoud van uitkering behoort tot de mogelijkheden
een bijstandsgerechtigde die op een dergelijke plaats werkzaam is en geen startkwalificatie heeft, heeft na zes maanden recht op een scholingsaanbod, tenzij het college oordeelt dat scholing niet bijdraagt aan een verbetering van de kansen op de arbeidsmarkt van betrokkene
bijstandsgerechtigden die werken op een Participatieplaats hebben recht op een halfjaarlijkse premie, waarvan de hoogte door het college kan worden vastgesteld, tot een maximum van EUR 1.080,00 per zes maanden. Hierbij wordt opgemerkt dat de hoogte van de premie geen drempel op mag leveren om regulier werk te aanvaarden (armoedeval).
Lokale invulling
Wij stellen, mede naar aanleiding van eerdere bespreking in de commissie Mens en Samenleving en afstemming in G4-verband, voor om de landelijke kaders in Utrecht als volgt uit te werken:
ten aanzien van de vraagstelling omtrent het al dan niet verplichtend karakter van het werk op de participatieplaats:
het werk op de participatieplaats wordt gezien als een re-integratieactiviteit; dat wil zeggen dat het instrument wordt ingezet wanneer dit past bij de mogelijkheden van de werkzoekende en als onderdeel van een traject naar regulier werk;
de werkzoekende is bij de totstandkoming van het voorzieningenplan (waarin de in te zetten instrumenten worden opgenomen) betrokken en
wanneer is besloten tot inzet van dit instrument is er geen sprake meer van vrijblijvendheid, net zoals dat geldt voor de inzet van andere instrumenten om de kansen op re-integratie op de arbeidsmarkt te vergroten.
wij verwachten dat een periode van twee jaar lang genoeg is om te beoordelen of een (andere) vervolgstap naar regulier werk mogelijk is of niet. Verlenging van de plaatsing na een periode van twee jaar zullen wij daarom alleen in uitzonderingsgevallen toestaan;
van een werkzoekende wordt een minimale inzet verwacht van 24 uur per week, waarbij wordt toegewerkt naar een inzet van 32 uur per week;
na afstemming met de G4 en met name Rotterdam en Den Haag, zijn we voornemens om de premie bij inzet van 32 uur per week op EUR 300,00 per half jaar te bepalen. Een mindere inzet per week leidt tot een lagere premie. Hiertoe zal de richtlijn premie- en vrijlatingsbeleid worden aangepast;
o de additionaliteit van de werkplekken zal worden getoetst aan criteria als:
er is sprake van een speciaal gecreëerde functie;
het betreft werkzaamheden die onder begeleiding worden uitgevoerd.
wanneer de bijstandsgerechtigde geen startkwalificatie bezit, wordt dit instrument waar mogelijk ingezet in combinatie met scholing, gericht op het behalen van een startkwalificatie;
bemiddeling, plaatsing en begeleiding zal vanaf 2010 door een contractpartij worden uitgevoerd, in samenspel met inlenende organisaties en bedrijven;
voor deze begeleiding is een budget geraamd van EUR 7.500,00 voor de eerste twee jaar (EUR 5.000,00 voor het eerste en EUR 2.500,00 voor het tweede jaar) en EUR 2.500,00 voor het eventuele derde en vierde jaar;
vooralsnog zal vanaf 2010 een maximum aantal van 200 participatieplaatsen in Utrecht worden ingevoerd, waarbij vanaf medio 2009 maximaal 75 plaatsen via de Doe Mee organisatie ingevuld zullen worden;
gestreefd wordt naar een breed aanbod van werkplekken, passend bij de mogelijkheden van de klanten en van de arbeidsmarkt.
Tot de doelgroep van de regeling behoren die bijstandsgerechtigden waarvan is gebleken dat zij, ondanks de inzet van diverse instrumenten, niet op de reguliere arbeidsmarkt geplaatst kunnen worden.
Artikel 10a.
WWB – Participatieplaatsen
Onderdeel van Richtlijn Participatieplaatsen en Participatiepremie Werkzoekenden