Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 7

Het niet bewonen van een woning, verblijf in een instelling voor maatschappelijke opvang

Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen wet werk en bijstand 2008

1.. De toeslag voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder die geen woning bewoont, wordt met 10 procent van de gehuwdennorm verlaagd. 2.. De bijstandsnorm voor een gehuwde die geen woning bewoont, wordt met 10 procent verlaagd. 3.. De hoogte van de uitkering aan een ongehuwde die geen woning bewoont maar die blijk geeft voor een ander te zorgen als bedoeld in artikel 3 van de wet wordt als volgt vastgesteld: a.. de toeslag wordt met 20 procent verlaagd en b.. de norm als bedoeld in artikel 22 lid a wordt met 10 procent van de gehuwdennorm verlaagd. 4.. In afwijking van het gestelde in het eerste, tweede en derde lid wordt voor een uitkeringsgerechtigde die verblijft in een instelling voor maatschappelijke opvang de toeslag of de gehuwdennorm niet verlaagd. 5.. Het gestelde in het vierde lid is niet van toepassing op een uitkeringsgerechtigde die uitsluitend gebruik maakt van nachtopvang dat door een instelling voor maatschappelijke opvang wordt aangeboden. 6.. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het vijfde lid, wordt overeenkomstig het gestelde in het eerste, tweede of derde lid gehandeld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel