**1..** Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
**2..** De vergunning wordt verleend:
als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit;
door het college in de overige gevallen.
**3..** Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam een publieke taak wordt verricht.
**4..** Het verbod in het eerste lid geldt niet voor het openbreken van de verharding en het graven en spitten in de weg ten behoeve van een huisaansluiting indien deze werkzaamheden een maximale lengte hebben van 25 meter, mits die werkzaamheden schriftelijk bij het college zijn gemeld en wordt voldaan aan de door het college gestelde nadere regels.
**5..** Het bepaalde in het vierde lid is niet van toepassing voor zover:
er gebruik wordt gemaakt van een gestuurde boring;
in het tracé een wegoversteek dan wel een wegkruising voorkomt of
er een handhole geplaatst wordt;
**6..** Het verbod in het eerste lid geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, Verordening wegen Noord-Brabant 2010, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of Verordening ondergrondse Infrastructuur Helmond 2014.
**7..** Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 1 › Paragraaf 5
Artikel 2.1.5.2