Naar hoofdinhoud
Het bestuur kan van de verboden, gesteld in artikel 16, ontheffing verlenen. Een ontheffing van het verbod, gesteld in artikel 16 onder a, wordt in ieder geval verleend aan: eigenaren of genothebbenden krachtens enig ander zakelijk recht of beheerders van de in het gebied Botshol gelegen gronden of wateren alsmede aan hun huisgenoten; pachters of huurders van onder a. bedoelde gronden of wateren, alsmede hun kinderen, echter uitsluitend voor zover betreft de uitoefening van het beroep of bedrijf ten behoeve waarvan deze gronden of wateren zijn gepacht of gehuurd; pachters van het recht om op de onder a. bedoelde gronden te jagen of in de onder a. bedoelde wateren te vissen; personeel in dienst van eigenaren of genothebbenden, beheerders, pachters of huurders, als hiervoor bedoeld, echter uitsluitend voor zover noodzakelijk voor de goede uitoefening van hun beroep. Het bestuur zal een ontheffing van het verbod, gesteld in artikel 16 onder b, voor de periode van 15 juni tot en met 15 maart daarop volgend niet weigeren voor het aantal vaartuigen, waarover op 1 maart 1962 reeds werd beschikt. Bij een aanvraag om ontheffing van het hier bedoelde verbod moeten worden overgelegd: een opgave van de naam en het adres van de eigenaar van de vaartuigen alsmede, indien aanwezig, van de beheerder door wie de feitelijke beschikbaarstelling van de vaartuigen zal plaatsvinden; een opgave van het soort en het aantal vaartuigen; een opgave van de plaats, waar de vaartuigen zijn gelegen. Het verbod, gesteld in artikel 16 onder c, geldt niet voor die personen, die zwemmen of onderwatersport bedrijven in water, waarvan zij krachtens enig zakelijk recht genot-hebbende zijn, en hun huisgenoten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel