Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2.

Artikel 3

- Toeslagen

Onderdeel van Toeslagenverordening Wet werk en bijstand

1.. De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; 2.. De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning één ander zijn hoofdverblijf heeft; 3.. De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 5 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning twee of meer anderen hun hoofdverblijf hebben; 4.. Voor de toepassing van dit artikel worden twee inwonende personen die met elkaar gehuwd zijn, als één inwonende aangemerkt. Daarnaast worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft: Een persoon jonger dan 21 jaar, mits het totale inkomen van deze persoon niet meer bedraagt dan 35 procent van de gehuwdennorm; Een meerderjarig kind met studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, mits het totale inkomen van dit meerderjarige kind niet meer bedraagt dan 35 procent van de gehuwdennorm; meerderjarig kind met een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, mits het totale inkomen van dit meerderjarige kind niet meer bedraagt dan 35 procent van de gehuwdennorm.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel