Lid 1. Het tweede te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een huishouden bestaat uit het normaal gebruik kunnen maken van de woning waar men over beschikt. Dit geldt in elk geval ten aanzien van de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten.
Lid 2. Voor zover de belanghebbende kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning welke verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat zal deze mogelijkheid eerst beoordeeld worden. Deze beoordeling vindt alleen plaats indien de aanpassing van de woning een bedrag als genoemd in artikel 5.2 van het Wmo besluit te boven gaat.
Lid 3. Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar en bruikbaar zijn, worden ten aanzien van die onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.
Een verhuiskostenvergoeding als genoemd in artikel 5.4 van het Wmo besluit kan dan wel verstrekt worden.
Lid 4. Het college van burgemeester en wethouders kan de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten aan de persoon die op verzoek van de gemeente voor een persoon met beperkingen de woonruimte heeft ontruimd, in afwijking van in artikel 5.4 van de Wmo besluit genoemde bedragen, hoger vaststellen.
Lid 5. Voor zover de in lid 2 genoemde mogelijkheden niet beschikbaar en bruikbaar zijn, kan er met het oog op het normale gebruik van de woning een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning.
Lid 6. De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd als:
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning als gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;
de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;
deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen;
de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak of;
de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden.
Hoofdstuk 5. › Paragraaf 2.
Artikel 5.3
Wonen in een geschikt huis
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rijssen-Holten 2014