Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 9

Aanschrijvingsbevoegdheid

Onderdeel van Bomenverordening 2014

Wanneer een herplantplicht alleen maar als vergunningsvoorschrift zou kunnen worden opgelegd dan zou dat betekenen dat iemand aan de oplegging van die verplichting zou kunnen ontkomen door zonder vergunning of jaarvergunning te vellen. De in dit artikel opgenomen bepaling maakt het mogelijk in zulke gevallen een zelfstandige verplichting tot herplant op te leggen. De in het eerste lid opgenomen zinsnede 'of op andere wijze is teniet gegaan' maakt het mogelijk dat het college ook een verplichting tot herplant kan opleggen als de houtopstand teniet is gegaan door verwaarlozing, een calamiteit of door ziekte. De herplantplicht die in dit artikel is neergelegd geldt niet zonder meer maar pas wanneer het college er toe besluit om aan te schrijven. De verplichting wordt opgelegd aan de zakelijk gerechtigde tot de houtopstand, dus hij die krachtens een zakelijk recht de beschikking heeft over de houtopstand. Het tweede lid verklaart de aanschrijvingsbevoegdheid ook van toepassing op een houtopstand die op grond van noodkap is geveld. Ook in die gevallen schrijft het college de zakelijk gerechtigde aan om tot herplant over te gaan en is de zakelijk gerechtigde dus gehouden de gevelde houtopstand met een nieuwe houtopstand te compenseren. De aanschrijving tot herplant zal in die gevallen echter meestal niet tegelijk met het besluit tot noodkap kunnen plaatsvinden maar nadien. Het derde lid betreft houtopstand die nog wel in leven is, maar waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij binnen afzienbare tijd teniet zal gaan. Door het tijdig nemen van voorzieningen kan dit worden voorkomen. Uitgangspunt hierbij is dat het behoud van bestaande bomen valt te prefereren boven de vervanging daarvan op basis van herplant. Met name valt hierbij te denken aan grote bomen. Deze zijn immers niet of slechts met hoge kosten te vervangen. Krachtens dit lid wordt de zakelijk gerechtigde verplicht tot het in stand houden van dergelijke bomen. Deze verplichting kan inhouden het ongedaan maken of voorkomen, voor zover mogelijk, van (dreigende) ernstige beschadiging of aantasting van de houtopstand ten gevolge van weersomstandigheden, ziekten, verwaarlozing, bouw- en sloopwerkzaamheden enz. Deze instandhoudingsverplichting mag uiteraard niet leiden tot strijd met verplichtingen krachtens hogere regelingen, zoals bij voorbeeld de Plantenziektewet. Indien aannemelijk is dat een voorgenomen bouw of aanleg gevolgen heeft voor de duurzame instandhouding van een beschermwaardige houtopstand, kan degene die voornemens is de werkzaamheden uit te voeren worden aangeschreven om een bomen effect analyse (BEA) te laten maken. Op basis van deze analyse kan dan worden beoordeeld wat de precieze gevolgen van de voorgenomen bouw of aanleg zijn en op welke wijze nadelige gevolgen zijn te voorkomen. Benadrukt moet worden dat de verplichting alleen voor een beschermwaardige houtopstand geldt én alleen kan worden opgelegd indien aannemelijk is dat de voorgenomen werkzaamheden gevolgen hebben voor de duurzame instandhouding van die houtopstand. Dit impliceert dat zeer terughoudend met deze bevoegdheid moet worden omgegaan en een bestuursorgaan ook moet beargumenteren waarom aannemelijk is dat de bouw of aanleg voor de duurzame instandhouding van die houtopstand gevolgen heeft. Het moet bijvoorbeeld gaan om een situatie waarin een vergunning wordt aangevraagd voor werkzaamheden waarvan aannemelijk is dat die een zodanige ernstige beschadiging van de beschermwaardige houtopstand tot gevolg hebben dat de houtopstand niet duurzaam in stand kan worden gehouden. Zoals bijvoorbeeld een vergunning voor de bouw van een muur waarbij de aanleg van de fundering zeer ernstige wortelschade tot gevolg kan hebben.

Rechtspraak bij dit artikel