Naar hoofdinhoud
De heffing als bedoeld in artikel 2 wordt geheven naar de waarde in het economische verkeer van het eigendom. Ingeval het eigendom een onroerende zaak is, is de waarde in het economische verkeer de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het tijdvak waarbinnen het belastingjaar valt. Ingeval voor het eigendom geen waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van dat eigendom bepaald met overeenkomstige toepassing van de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken, naar de waarde die het eigendom op 1 januari voorafgaande aan het belastingjaar heeft en naar de staat waarin het eigendom op 1 januari van het betreffende belastingjaar verkeert. De waarde in het economisch verkeer van het eigendom, vastgesteld overeenkomstig de voorgaande artikelleden, zal voor de heffing van de heffing als bedoeld in artikel 2 niet meer bedragen dan € 2.500.000. Vrijstellingen

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel