1 De leden van de raad en overige aanwezigen spreken vanaf het spreekgestoelte, tenzij de voorzitter anders toestaat, en richten zich tot de voorzitter.
2 Bij bijzondere gelegenheden kan de voorzitter bepalen dat de leden van de raad en de overige aanwezigen vanaf een andere plaats spreken.
3 Een lid van de raad voert het woord na het aan de voorzitter gevraagd en van hem verkregen te hebben.
4 De volgorde van sprekers kan worden gewijzigd, wanneer een lid van de raad het woord vraagt over de orde van de vergadering.
5 Het raadspresidium kan een voorstel doen over de spreektijd van de leden en de overige aanwezigen.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 2
Artikel 22
Spreekregels
Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad 2014