1.Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet

op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt

kan op aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk personeel geldende

spaarloonregeling.

2.Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet

op de Loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt

kan deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de

loonbelasting 1964.

3.Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien het raadslid gebruik maakt van de

wettelijke levensloopregeling.

4.Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen aanspraak op enige

vergoeding van de gemeente.