Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6.

Artikel 19.

Instandhoudingbepaling

Onderdeel van Erfgoedverordening

Het is verboden om in een terrein waar zich een archeologisch monument bevindt, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 of in een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder j, de bodem dieper dan aangegeven op de archeologische beleidskaart te verstoren. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing als: het een verstoring betreft in Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied (AWV) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische waarden- en beleidskaart: in een gebied met lage archeologische verwachting en het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m² (AWV categorie 9 en 10); in een gebied met een middelmatige archeologische verwachting en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m² (AWV categorie 8); in overige gebieden met een hoge archeologische verwachting en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m² (AWV categorie 6 en 7); in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen aan de hand van de archeologische waardenkaart over de archeologische monumentenzorg; in een projectbesluit of ontheffingsbesluit als bedoeld in de artikelen 3.6, 3.10, 3.22. 3.23 of 3.40 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) voorschriften zijn opgenomen over de archeologische monumentenzorg; ons college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring als bedoeld in het eerste lid en aangegeven op gemeentelijke archeologische waardenkaart; een rapport is overlegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden voldoende worden geborgd; of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel