Leden van de gemeenteraad, wethouders en de burgemeester stellen bij hun handelen, waaronder bestuurlijke integriteit, de kwaliteit van het openbaar bestuur centraal. De belangen van de gemeente en in het verlengde daarvan die van de burgers zijn het primaire richtsnoer.
Een aantal kernbegrippen is daarbij leidend en plaatst daarmee het vraagstuk in een breder perspectief. Deze begrippen vormen als het ware de algemene uitgangspunten voor de gedragscode.
Bestuurlijke integriteit
De bestuurder aanvaardt de verantwoordelijkheid die onlosmakelijk verbonden is aan de functie van bestuurder en is bereid daarover verantwoording af te leggen.
Dienstbaarheid
Het handelen van een bestuurder is altijd en volledig gericht op het belang van de gemeente en op de organisaties en burgers die daar onderdeel van uit maken.
Functionaliteit
Het handelen van een bestuurder heeft een herkenbaar verband met de functie die hij vervult in het bestuur.
Onafhankelijkheid
Het handelen van een bestuurder wordt gekenmerkt door onpartijdigheid, dat wil zeggen dat geen vermenging optreedt met persoonlijke belangen en dat ook iedere schijn van een dergelijke vermenging wordt vermeden.
Openheid
Het handelen van een bestuurder is transparant, opdat optimale verantwoording mogelijk is en de controlerende organen volledig inzicht hebben in het handelen van de bestuurder en zijn beweegredenen daarbij.
Betrouwbaarheid
Op een bestuurder moet men kunnen rekenen. Een bestuurder houdt zich aan zijn afspraken. Kennis en informatie waarover hij uit hoofde van zijn functie beschikt, wendt hij aan voor het doel waarvoor die zijn gegeven.
Zorgvuldigheid
Het handelen van een bestuurder is zodanig dat alle organisaties en burgers op gelijke wijze en met respect worden bejegend en dat belangen van partijen op correcte wijze worden afgewogen.
Artikel I.
Kernbegrippen van bestuurlijke integriteit
Onderdeel van Gegragscode voor bestuurders Alphen aan den Rijn 2014