**1..** Als de belanghebbende voorafgaand aan of tijdens de uitkeringsverstrekking tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, wordt een maatregel opgelegd.
**2..** Onder tekortschietend besef wordt in ieder geval begrepen:
het op onverantwoorde wijze besteden van vermogen, inbegrepen het doen van een schenking, voorafgaand aan de uitkeringsverlening, voor zover het beroep op uitkeringsverlening redelijkerwijs was te voorzien;
het door belanghebbende niet alles doen ter voorkoming van het, gedeeltelijk of volledig, afhankelijk worden van een uitkering.
**3..** De maatregelcategorie die op grond van dit artikel van toepassing is, is afhankelijk van de hoogte van het benadelingsbedrag:
bij een benadelingsbedrag tot € 4.000,-: een maatregel van de tweede categorie;
bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of meer: een maatregel van de derde categorie;
als het benadelingsbedrag niet is vast te stellen: een maatregel van de tweede categorie.
**4..** Onder benadelingsbedrag wordt verstaan het bedrag aan uitkering dat als gevolg van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid extra uitbetaald moet worden aan belanghebbende ten opzichte van de situatie dat het tekortschietend besef zich niet zou hebben voorgedaan.
**5..** In afwijking van het bepaalde in het derde lid wordt in alle gevallen een maatregel opgelegd van de derde categorie indien een voorliggende voorziening niet of niet volledig tot uitbetaling komt vanwege verrekening, waarbij op grond van een wettelijk voorschrift artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing is gelaten.
Hoofdstuk 2
Artikel 10
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan
Onderdeel van Maatregelverordening Participatiewet