Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.1.5.11

Tijdelijke afwijking

Onderdeel van Beleidsregels artikel 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

De tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan kan voor diverse vormen van gebruik van gronden en bouwwerken worden toegepast. Het is onmogelijk en niet zinvol om voor alle vormen op voorhand beleidsregels op te stellen. Voor het bewonen van niet voor bewoning bestemde gebouwen achten wij het wel noodzakelijk en wenselijk om vooraf regels te stellen. Dit geeft duidelijkheid aan belanghebbenden en vereenvoudigt de afhandeling van dergelijke verzoeken. In de gemeente Bronckhorst is het bewonen van ‘niet voor bewoning bestemde gebouwen’ niet toegestaan. Ook niet als dat maar voor een beperkte periode is. Het gaat hier bijvoorbeeld om het bewonen van recreatiewoningen, stacaravans, units en bijgebouwen. Er zijn echter situaties denkbaar waarbij behoefte is aan een tijdelijke oplossing. Wij kunnen met een omgevingsvergunning tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor bewoning in situaties waarbij behoefte is aan een tijdelijke oplossing. Er gelden echter wel enkele voorwaarden. Zo moet de tijdelijkheid op voorhand vaststaan en er reeds sprake zijn van een concrete einddatum, komen alleen inwoners van Bronckhorst of toekomstige inwoners in aanmerking en moet de te verlaten of de te betrekken woning in de gemeente liggen. Zo kan de omgevingsvergunning worden verleend in situaties waarbij sprake is van een overbruggingsperiode tussen de verkoop van de ene woning en de oplevering van de andere woning of de woning tijdelijk door verbouwing, brand of natuurramp niet bewoonbaar is. Ook bij een echtscheiding of beëindiging van een geregistreerd partnerschap, waarbij aantoonbaar geen onderdak binnen familie- of kennissenkring mogelijk is, is een tijdelijke afwijking mogelijk. De maximale termijn voor tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan is in het Besluit omgevingsrecht op 10 jaar gesteld. Een periode van 10 jaar voor tijdelijke afwijking kan echter nauwelijks nog tijdelijk worden genoemd. De duur van de tijdelijke afwijking zou daarmee net zo lang worden als de geldingsduur van een bestemmingsplan. In zo’n geval zou de gewenste situatie in een bestemmingsplan moeten worden geregeld. Ook geldt dat het de vraag is of de situatie nog wel handhaafbaar is als de termijn van 10 jaar voorbij is. Als een gebruik zo lang mogelijk is, kan worden afgevraagd of er redenen zijn om het gebruik niet langer kan worden toegestaan en zal de afwijking bij een volgende actualisatie alsnog in het bestemmingsplan worden opgenomen. Dit geldt zowel voor tijdelijke afwijking ten behoeve van bewoning als voor andere vormen van tijdelijke afwijking. Deze wijzigingen ten gevolge van de Crisis- en herstelwet ziet voornamelijk in de problematiek in grote steden waar een grote woningbehoefte is en daarentegen veel kantoorpanden leeg staan. Het is de bedoeling om het gebruik van kantoorpanden voor bewoning te vereenvoudigen. In onze gemeente ligt deze situatie anders. Er is juist een afnemende behoefte aan woningen. Er staan weliswaar bedrijfspanden leeg maar ook woningen waar een betere invulling kan worden gegeven aan tijdelijke behoefte aan woonruimte. Voor de centrumgebieden geldt daarbij dat bewoning voor langere tijd het centrum onaantrekkelijk maakt en bij bedrijfsbestemmingen kan het de bedrijfsvoering van bestaande bedrijven belemmeren. Wij zullen deze maximale termijn niet te benutten en in de regel vast te houden aan de nu nog geldende maximale termijn van 5 jaar. Dit geldt voor alle vormen van tijdelijke afwijking, dus niet alleen bewoning maar ook andere vormen van tijdelijke afwijking. Zoals bij elk beleid kan hier incidenteel gemotiveerd van worden afgeweken als daartoe dringen redenen zijn (hardheidsclausule). Een uitzondering hierop vormt het gebruik van recreatiewoningen voor tijdelijke bewoning. Daarvoor gold op grond van de Wabo, het Bor en het gemeentelijke beleid dat uit 2007 stamt, een maximale termijn van 5 jaar. Uit de afgelopen jaren is gebleken dat een termijn van 5 jaar nauwelijks van toepassing is bij recreatiewoonverblijven. Het toepassen van zo’n lange termijn zou naar huidige inzichten ook niet meer wenselijk zijn. Recreatiewoningen zijn bedoeld voor recreatief gebruik. Recreatiewoningen zouden daarmee langdurig aan dat gebruik worden onttrokken. Het leefpatroon van een bewoner is volledig anders dan dat van een recreant. Door het voorgaande wordt het recreatieve product minder aantrekkelijk voor recreanten. Recreanten, eigenaren van recreatiewoningen, parkbeheerders en ook de gemeente worden hierdoor onnodig benadeeld. En dat terwijl er betere alternatieven voorhanden zijn. In de huidige situatie op het gebied van krimp en de woningmarkt is tijdelijke verhuur van leegstaande woningen in kader van de Leegstandswet is betere oplossing. Reguliere woningen hebben reeds een woonbestemming waardoor afwijking van het bestemmingsplan niet nodig is. Ook is het een onwenselijke situatie dat recreatiewoningen voor langere tijd worden verhuurd terwijl er elders reguliere woningen leeg staan. Voor het woon- en leefklimaat van de woongebieden is het beter als er geen woningen leeg staan. Daarbij is tijdelijke verhuur van leegstaande woningen middels de Leegstandswet eenvoudiger geworden. Het is naar huidige inzichten reëler en wenselijker om voortaan een termijn van maximaal 1 jaar te hanteren. Niet-inwoners van Bronckhorst dienen binnen hun eigen gemeente een oplossing te vinden. Aan tijdelijke bewoning van een recreatiewoning gedurende maximaal 6 maanden door niet-inwoners kan incidenteel onder aanvullende voorwaarden medewerking worden verleend. Deze mogelijkheid hebben wij gecreëerd om gecontroleerd te voorkomen dat niet-inwoners buiten ons zichtsveld toch recreatiewoningen bewonen. De aanvullende voorwaarden zijn er op gericht om meer zekerheid te hebben over de tijdelijkheid. Aan situaties waarbij ingezetenen noodgedwongen buiten hun schuld om een huur- of koopwoning in de gemeente moeten verlaten en er nog geen zicht is op vervangende woonruimte is tevens incidenteel medewerking mogelijk. Ook hier gelden aanvullende voorwaarden. De betrokkene moet als woningzoekende ingeschreven staan bij een binnen de gemeente werkzame woningcorporatie of vergelijkbare instelling. Het moeten verlaten van de woning kan bijvoorbeeld zijn in verband met scheiding, faillissement of financiële situatie die het bewonen van de (te dure) woning niet meer toelaat en gezocht wordt naar een wel betaalbare woning. Dus geen personen die een huis hebben verkocht maar nog op zoek zijn naar een nieuwe koopwoning. Ook personen die het ouderlijk huis verlaten komen niet in aanmerking evenals personen die na hun studie weer op zoek gaan naar woonruimte in de gemeente. Zij hebben namelijk de mogelijkheid om bij hun ouders te blijven of gaan wonen. Zij kunnen vanuit die situatie op zoek gaan naar eigen woonruimte. De afwijking geldt voor maximaal één jaar. In dat jaar moet belanghebbende aantoonbaar voldoende inspanning leveren om een passende huurwoning te vinden. Als criterium geldt dat belanghebbende gemiddeld één keer per maand moet reageren op het woningaanbod (actieve inschrijving op passende woning) in de gemeente. Als kan worden aangetoond dat er minder vaak dan één keer per maand een passende woning wordt aangeboden geldt dat op de wel aangeboden woningen móet worden gereageerd. Een voordracht voor een passende woning mag slechts één keer worden geweigerd. Als men weigert moet belanghebbende met opgave van redenen daarvan direct melding doen. Na afloop van de termijn van een jaar doet de belanghebbende via de woningbouwcorporatie opgaaf van zijn inspanningen. Verlenging van de vergunning is slechts en voor maximaal vijf jaar mogelijk als men aan alle voorgaande criteria heeft voldaan maar na afloop van de vergunning nog geen passende huurwoning heeft gevonden. Als blijkt dat belanghebbende geen melding heeft gedaan van een weigering komt deze niet in aanmerking voor verlenging. De in deze beleidsregels gestelde maximale termijnen voor tijdelijke afwijking worden niet als vanzelfsprekend toegepast. Het is een maximale termijn waarvoor wij een afwijking willen toestaan. Bij de aanvraag om een tijdelijke afwijking bij een omgevingsverguning moet reeds zicht zijn op een concrete te onderbouwen einddatum. Deze datum moet in ieder geval binnen termijn van respectievelijk 6 maanden en 1 jaar voor recreatiewoningen en 5 jaar voor andere gebouwen vallen.

Rechtspraak bij dit artikel