Naar hoofdinhoud
1.. De individuele gehandicaptenparkeerplaats wordt verleend aan bestuurders indien: de aanvrager beschikt over een geldige gehandicaptenparkeerkaart, zijnde een bestuurderskaart en; voor de aanvrager geen mogelijkheid bestaat om zelf in een eigen parkeerplaats te voorzien op eigen terrein (garage, oprit, en andere) en; er een mogelijkheid aanwezig is om binnen een loopafstand van maximaal 100 meter vanaf de hoofdingang van de woning / het appartementencomplex / het flatgebouw van de aanvrager een individuele gehandicaptenparkeerplaats, conform de geldende richtlijnen van het CROW en met inachtneming van de landelijke normen, te realiseren en; uit onderzoek, inclusief vervoersbehoefteanalyse, blijkt dat er geen andere mogelijkheid is om het motorvoertuig en/of de woning te bereiken dan een parkeerplaats binnen een straal van maximaal 100 meter vanaf de hoofdingang van de woning / het appartementencomplex / het flatgebouw en; de aanwijzing van de individuele gehandicaptenparkeerplaats ter plekke niet leidt tot een onveilige verkeerssituatie of een belemmering van de doorstroming van het overige wegverkeer en; de parkeerdruk in de omgeving van de aan te wijzen parkeerplaats, gemeten op drie tijdstippen, op drie verschillende dagen, waarbij de drukte gemiddeld 80% of meer bedraagt, zodanig is dat het aanwijzen van een parkeerplaats als noodzakelijk moet worden beoordeeld. Het gebied waarbinnen de tellingen ten behoeve van de parkeerdruk plaatsvinden, beslaat de maximaal af te leggen loopafstand tot maximaal 100 meter, zoals vastgesteld door de gemeente, gemeten vanaf de hoofdingang van de woning / het appartementencomplex / het flatgebouw van de aanvrager. 2.. De individuele gehandicaptenparkeerplaats wordt verleend aan passagiers indien: de aanvrager beschikt over een geldige gehandicaptenparkeerkaart, zijnde een passagierskaart en; is voldaan het gestelde in artikel 5, lid 1 sub b tot en met f, en; het niet mogelijk is dat de bestuurder van het motorvoertuig, met inachtneming van de algemene verkeersregels, in de directe omgeving van de woning van de aanvrager stopt om deze te ondersteunen bij het in- en uitstappen en zo nodig te begeleiden naar zijn/haar woning, en; de betreffende passagier niet een korte tijd (waarin de bestuurder het motorvoertuig parkeert) alleen kan worden gelaten, rekening houdend met een eventueel aanwezige rolstoel en/of loophulpmiddel. 3.. Het motorvoertuig waarvoor een individuele gehandicaptenparkeerplaats wordt aangevraagd dient eigendom te zijn van aanvrager of van een huisgenoot welke op hetzelfde woonadres van aanvrager zijn hoofdverblijf heeft. 4.. Het college kan van het bepaalde in de leden lid 1, 2 en 3 afwijken indien zij van oordeel is dat dit wegens bijzondere omstandigheden noodzakelijk is.

Rechtspraak bij dit artikel