Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel 1 onder b, of een archeologische vindplaats, bedoeld in artikel 1 onder k, of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1 onder l, de bodem dieper dan 30 cm onder de oppervlakte te verstoren.
Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien;
a.het een verstoring betreft van een archeologische vindplaats die op de archeologische beleidskaart gecategoriseerd is als:
historische kern, of;
ontginningsassen, of;
beschermde landgoederenzone, of;
(vroeg)middeleeuwse wegen en paden, of;
grafheuvels en de bufferzone van 250 m rond grafheuvels, of;
AMK-terrein, niet wettelijk beschermd of;
hofstede;
en waarbij het te verstoren gebied kleiner is dan 50 m²;
het een verstoring betreft van een archeologische vindplaats die op de archeologische beleidskaart gecategoriseerd is als bufferzone van 250 m rond een AMK-terrein, en waarbij het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m²;
het een verstoring betreft van een archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op archeologische beleidskaart, en waarbij die verstoring plaatsvindt:
in een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 100.000m², of;
in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 1000m², of;
in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 150 m²;
in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg die dateren van na vaststelling van de archeologische beleidskaart, zoals bedoeld in artikel 1 onder j.
sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg die dateren van na vaststelling van de archeologische beleidskaart, zoals bedoeld in artikel 1 onder j.
het bevoegd gezag nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de archeologische beleidskaart, zoals bedoeld in artikel 1 onder j;
een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:
het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd;
of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad;
of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.
Artikel 17a