Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk III

Artikel 13

Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen

Onderdeel van Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2014

1.. De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een commissie en haar subcommissies als bedoeld in artikel 14 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk aan het door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor gemeenteklasse vier (50.001-100.000) vastgestelde maximum. 2.. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt. 3.. Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een commissie als raadslid of wethouder; uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd; als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling, organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang dient. 4.. De raad kan in afwijking van het bepaalde als bedoeld in lid 1 van dit artikel een hogere vergoeding vaststellen, voor een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is aangetrokken, en een lid van een commissie voor wie de vergoeding niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten arbeid. 5.. Het commissielid kan voor het bijwonen van een of meerdere commissievergaderingen op een dag slechts eenmaal aanspraak maken op de vergoeding als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel