In de kostenbegroting zijn opgenomen de kosten en opbrengsten verband houdende met het verlenen van medewerking aan het in exploitatie brengen van gronden. Benadrukt is dat er een directe relatie aanwezig dient te zijn tussen de verschillende kosten- en opbrengstelementen en het exploitatiegebied. Gezien de diversiteit van de werken en werkzaamheden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming van de met de medewerking verband houdende kosten te geven. Dit zal van geval tot geval kunnen verschillen. De wijze van toerekening zal plaatsvinden op basis van de baat die alle in het exploitatiegebied opgenomen onroerende zaken zullen hebben van de te treffen voorzieningen van openbaar nut. Dit geldt derhalve zowel voor de gronden die bestemd zijn voor gemeentelijke gronduitgifte, als de gronden die bestemd zijn voor particuliere exploitatie. De mate van baat kan daarbij onderling variëren als gevolg van verschillen in ligging, bestemming en objectieve gebruiksmogelijkheid van de desbetreffende onroerende zaak. Het uitgangspunt bij de opstelling van de kostenbegroting zal steeds zijn dat het totale gebied door de gemeente in exploitatie zal worden gebracht. Hiermee wordt de afstemming bereikt met de uitgangspunten die zijn neergelegd in de gemeentelijke exploitatieopzet.
Opgemerkt wordt dat de in artikel 5 opgenomen eisen gelden voor zowel een kostenbegroting behorende bij een kostenverhaalsbesluit, als een begroting die naar aanleiding van een aanvraag om medewerking (gebaseerd op afdeling III van de Exploitatieverordening) wordt vastgesteld.
Uitgangspunt voor de opstelling van de kostenbegroting is dat de inbrengwaarde van alle gebate onroerende zaken en de gronden bestemd voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, in de kostenbegroting wordt opgenomen. Deze inbrengwaarde kan daarmee ook betrekking hebben op onroerende zaken die wel door de voorzieningen gebaat worden maar niet als gevolg van die voorzieningen geschikt worden voor bebouwing. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan bestaande te handhaven bebouwing binnen een exploitatiegebied.
Op grond van het gestelde in het vierde lid wordt bereikt dat de inbrengwaarde van deze gronden niet in de kostenbegroting behoeft te worden opgenomen.
De aanduiding “geschikt worden voor bebouwing” is afkomstig van de tot 1 januari 1995 geldende bouwgrondbelasting en maakte onderdeel uit van de drie voor deze belastingen bestaande rechtsgronden (nl. het geschikt worden voor bebouwing, het beter geschikt worden voor bebouwing alsmede het in een voordeligere positie komen te verkeren van onroerende zaken als gevolg van de te treffen voorzieningen).
Naast de toepassing in de grondexploitatie is de Exploitatieverordening eveneens van toepassing op het verhaal van kosten van baatopleverende voorzieningen die geen onderdeel uitmaken van de grondexploitatie. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om de herinrichting van centrumgebieden of de aanleg van riolering in het buitengebied. In het vijfde lid is bepaald dat de inbrengwaarde van de gebate objecten niet in de kostenbegroting behoeft te worden opgenomen, indien de te treffen voorzieningen in hoofdzaak niet gericht zijn op het geschikt maken voor bebouwing van onroerende zaken. Wel is het mogelijk de inbrengwaarde van de tot voorzieningen van openbaar nut bestemde gronden in de begroting op te nemen.
De toepassing van het vierde en vijfde lid kan met zich meebrengen dat de in de beide artikelleden beschreven situaties zich gelijktijdig kunnen voordoen. Dit zal het geval zijn, indien er sprake is van bijvoorbeeld de aanleg van niet tot de grondexploitatie behorende voorzieningen voor onder meer bestaande bebouwing.
Hoofdstuk › Afdeling V:
Artikel 5.
De kostenbegroting
Onderdeel van Exploitatieverordening Maastricht 2003