Naar hoofdinhoud
5.1 Alvorens een besluit genomen wordt op de aanvraag voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats, wordt bepaald of de aanvrager beschikt of kan beschikken over parkeergelegenheid op eigen terrein. Indien de aanvrager daarover niet beschikt of kan beschikken wordt een verkeerstechnisch onderzoek gedaan. In het geval dat het realiseren van een parkeerplaats op eigen terrein leidt tot het opheffen van parkeerplaatsen in de openbare ruimte wordt parkeren op eigen terrein niet mogelijk geacht. 5.2 Het verkeerstechnisch onderzoek, zoals bedoeld in artikel 5.1, is beperkt tot de maximaal de vastgestelde loopafstand en wordt verricht op het tijdstip waarop door de aanvrager de meeste parkeerdruk wordt ervaren. Uit dit onderzoek moet blijken dat er binnen de maximale loopafstand, niet voldoende vrije parkeerruimte beschikbaar is. Als niet voldoende vrije parkeerruimte wordt beschouwd minder dan 3 vrije parkeerplaatsen. 5.3 In geval een gehandicaptenparkeerplaats ten behoeve van een passagier wordt aangevraagd, wordt aanvullend bezien of het mogelijk is om tijdelijk te stoppen teneinde de passagier te begeleiden bij het in- of uitstappen (dubbel parkeren). Wanneer dit mogelijk blijkt te zijn, wordt de aanvraag afgewezen. De afstand van het voertuig tot de voordeur mag niet groter zijn dan de maximale loopafstand 5.4 In overleg met de aanvrager wordt de voorkeursplaats en de maatvoering van de gehandicaptenparkeerplaats bepaald. Indien het noodzakelijk is dat de maatvoering van een parkeervak moet worden aangepast, wordt zoveel mogelijk de maatvoering van het ASVV gebruikt.

Rechtspraak bij dit artikel