In deze verordening wordt verstaan onder:
Vaartuig: alle soorten van drijvende lichamen die vanwege hun
drijfvermogen worden gebruikt dan wel bestemd zijn of geschikt zijn
voor het dragen en eventueel vervoeren van personen, dieren, stoffen
(al dan niet vloeibaar), gassen, goederen of voorwerpen, al dan niet
met het vaartuig één geheel uitmakende, en ook caissons, pontons,
baggermolens, zuigers en dergelijke drijvende lichamen;
Bedrijfsvaartuig: een vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak
gebruikt wordt of bestemd is voor de uitoefening van een bedrijf,
beroep, of sociaal-culturele activiteiten en die staat ingeschreven
bij de Kamer van Koophandel;
Zeilend bedrijfsvaartuig: zeilschip met een traditioneel karakter
dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor de beroepsmatige
chartervaart en die staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel
en waarvoor certificaten als bedoeld in artikel 3, eerst lid van de
Schepenwet zijn afgegeven;
Schipper: de gezagvoerder van een schip of hij die deze
vervangt;
Opleggen van een vaartuig: het tijdelijk uit de vaart nemen van een
vaartuig;
Vaste ligplaats: een ligplaats die op grond van een overeenkomst met
een watersportvereniging, dan wel met het college, ter beschikking
is gesteld voor permanent gebruik door hetzelfde vaartuig;
Woonboot: een vaartuig of object dat uitsluitend of in hoofdzaak
wordt gebruikt als, of te oordelen naar zijn constructie of
inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is tot, dag- of
nachtverblijf van een of meer personen;
Havenmeester: de persoon die door het college is aangewezen en aan
wie het toezicht en handhaving op de haven, haventerreinen en de
daarbij behorende werken is opgedragen;
College: college van burgemeester en wethouders;
Haven: een haven gelegen in het havengebied als bedoeld in artikel
1;
Belastingplichtig: degene die op grond van de geldende Verordening
binnenhavengeld gehouden is om scheepvaartrechten te betalen.