Naar hoofdinhoud

Artikel 1.

Aanleiding

Onderdeel van Snippergroenbeleid

In 1994 is een begin gemaakt met het opstellen van beleid ten aanzien van het ongevraagd in gebruik nemen van gemeentegrond door burgers. Het betreft hier de situatie waarin burgers een klein (of groot) gedeelte van gemeentelijk openbaar groen, grenzend aan hun tuin, in gebruik nemen en het inrichten alsof het een privé-tuin betreft. Door de ingebruikname van openbaar groen treden de volgende problemen op: het onderhoud van gemeentelijke groenvoorzieningen wordt bemoeilijkt doordat in het veld vaak niet meer duidelijk is wat wel en wat niet onderhouden moet worden; de stedenbouwkundige eenheid kan in gevaar komen onder meer doordat een gebied, dat vanuit stedenbouwkundig oogpunt bestemd was als openbare ruimte gaat ogen als een particuliere tuin; het ontbreken van een gestructureerde aanpak leidt tot rechtsongelijkheid: degenen die zo brutaal zijn om zich een stukje openbaar groen toe te eigenen vergroten hun tuin ten koste van de gemeenschap en zullen zeker gebruik maken van de waardevermeerdering van hun eigendom die dit tot gevolg heeft, terwijl anderen die zich aan de regels en eigendomsverhoudingen houden dit voordeel niet hebben. In 1998 is gebleken dat het aantal gevallen van ingepikt openbaar groen verder was toegenomen en dat heeft geleid tot de nota ‘Ingepikt snippergroen’. Hierin is gesteld dat het gemeentelijke beleid met betrekking tot het gebruik van de openbare ruimte zich tot doel stelt om door middel van duidelijke regels en beleid te streven naar een goede toegankelijkheid, een beter aanzien van de stad en een aantrekkelijke woonomgeving. Naar aanleiding van de nota uit 1998 is de werkgroep snippergroen opgesteld. Deze werkgroep heeft een procedure ontwikkeld waarbij elke aanvraag of constatering wordt getoetst op de mogelijkheden van verkoop. De procedure om vast te stellen of de grond wel of niet verkocht mag worden werkt goed. Desondanks is toch een aantal knelpunten te constateren: het signaleren van ingepikt groen door handhaving is een tijdrovende bezigheid; de gebruiker beroept zich op verjaring; de gebruiker weigert te kopen (indien toegestaan) en ontruimt het perceel niet. Over verjaring en handhaving is nog geen duidelijk standpunt ingenomen in de nota van 1998. Dit gaf aanleiding om de nota met de werkgroep snippergroen opnieuw te bestuderen en te komen tot een visie.

Rechtspraak bij dit artikel