Het college kiest bij de inzet van voorzieningen voor
voorzieningen die beschikbaar adequaat en toereikend zijn voor het doel dat wordt beoogd.
Het doel van de inzet van voorzieningen is
het bevorderen van duurzamearbeidsparticipatie van jongeren door
het opdoen van werkervaring, het aanleren van vaardigheden en
kennis, het opdoen van werkritme, maatschappelijke participatie
dan wel op andere wijze vergroten van persoonlijke en
maatschappelijke zelfredzaamheid.
Het college vult de voorziening bedoeld in het eerste lid voor
de jongere die niet beschikt over een startkwalificatie in met
scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt
bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een
dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van
de jongere te boven gaat of onvoldoende bijdraagt aan vergroting
van de kans op arbeidsinschakeling van de jongere.
Onverminderd artikel 17, vierde lid, van de wet, betrekt het
college bij de invulling van het werkleeraanbod de
beschikbaarheid van passende kinderopvang, het belang van
voldoende scholing en de belastbaarheid van de jongere.
Onverminderd artikel 17, tweede lid, van de wet, stemt het
college het werkleeraanbod af op de medische beperkingen van de
jongere en draagt zorg voor passende voorzieningen ter
ondersteuning bij de arbeidsinschakeling.
HOOFDSTUK 2
Artikel 6.
Inzet van de voorzieningen
Onderdeel van Verordening werkleeraanbod Wet investeren in jongeren 2010