Eerste lid
Het college kan in beleidsregels neerleggen hoe het van plan is om te
gaan met de beoordeling van de verwijtbaarheid, door bijvoorbeeld aan te
geven welke gedragingen in principe altijd verwijtbaar worden geacht en
welke gedragingen in beginsel nooit. Ook kan in beleidsregels worden
vastgelegd in welke gevallen sprake is of kan zijn van verzachtende
omstandigheden.
Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat
de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille
van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel
spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze
reden wordt onder a. geregeld dat het college geen maatregelen opgelegd
voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.
Gemeenten kunnen uiteraard voor een kortere of langere periode kiezen.
Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en
als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog
bedrag aan bijstand is verleend, geldt in de verordening een
verjaringstermijn van vijf jaar. Een termijn van vijf jaar ligt voor de
hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit
dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude
(het benadelingsbedrag) vast te stellen.
Onder b. wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van
een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat
dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan
dus niet op voorhand worden vastgelegd. Onder c wordt geregeld dat het
college wenst te volstaan met het opleggen van een waarschuwing.
Tweede lid
Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in
verband met eventuele recidive.
HOOFDSTUK 6.
Artikel 6
Artikel 6
Onderdeel van Afstemmings- en fraudeverordening Wet werk en bijstand 2010