Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 3: › Paragraaf 3:

Artikel 2.3.3.2

Speelautomaten

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening

1.. In dit artikel wordt verstaan onder: Wet: de Wet op de kansspelen speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. 2.. De burgemeester kan vergunning verlenen voor het aanwezig hebben van: Maximaal 2 speelautomaten, waarvan maximaal twee kansspelautomaten in een hoogdrempelige inrichting, en Maximaal 2 speelautomaten, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan, in een laagdrempelige inrichting. 3.. Er mogen alleen speelautomaten worden opgesteld welke in eigendom toebehoren aan personen die in bezit zijn van de artikel 30h, eerste lid, van de Wet bedoelde vergunning. 4.. In afwijking van het bepaalde in artikel 1.7 wordt de in het eerste lid genoemde vergunning verleend voor 1 jaar en gaat in op 1 januari. 5.. Indien de vergunning in de loop van het jaar wordt aangevraagd en verleend, geldt deze voor de resterende tijd tot 1 januari.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel