1In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek
toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
bioscoopvoorstellingen;
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van
de Gemeentewet en artikel 5.2.4 van deze verordening;
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet
gelegenheid geven tot dansen;
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de
Wet openbare manifestaties;
activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.4.2 en 2.3.3.1 van
deze verordening.
2 Onder evenement wordt mede verstaan:
een herdenkingsplechtigheid;
een braderie;
een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
2.1.2.2, op de weg;
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
weg.
Artikel 2.2.2 Evenement
Het is verboden zonder vergunning van de
burgemeester een evenement te organiseren.
De vergunning kan worden geweigerd in het belang
van:
a in het belang van de openbare orde:
b in het belang van het voorkomen of beperken van
overlast;
c in het belang van de verkeersveiligheid of de
veiligheid van personen of goederen;
d in het belang van de zedelijkheid of
gezondheid;
e indien niet wordt voldaan aan de in de nota
evenementenbeleid Wijk bij Duurstede 2008 - zoals
vastgesteld in de vergadering van burgemeester en
wethouders d.d. 29 januari 2008 - geformuleerde
toetsingscriteria voor evenementen;
3 Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor een
feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg,
voorzover in het geregeld onderwerp wordt voorzien door
artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.2.3 Ordeverstoring
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf 1 Toezicht op
horecabedrijven
Artikel 2.3.1.1 Begripsomschrijvingen
1 Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: de
voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of
rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid
of verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval
verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria,
snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis.
2 Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt
mede verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en de
andere aanhorigheden.
3 Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de
besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het
horecabedrijf waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar
tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en/of
spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid en/of
verstrekt.
4 Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die
een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in
artikel 2.3.1.2 of artikel 2.3.1.3.
5 Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers:
a de gezinsleden van de houder, alsmede diens elders wonende
bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de
zijlijn tot en met de derde graad;
b de personen die voorkomen in het register als bedoeld in
artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht;
c de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
dringende redenen noodzakelijk is.
d Een nachtvergunning is een vergunning, waarbij aan de
houder van een horecabedrijf wordt toegestaan om op
zaterdagen, zondagen en collectieve dagen tussen 01.30 en
04.00 uur in een horecabedrijf publiek te laten verblijven.
Artikel 2.3.1.2 Exploitatievergunning
horecabedrijf
Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren
zonder vergunning van de burgemeester.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de
burgemeester de vergunning indien de vestiging of
exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met
een geldend bestemmingsplan.
Het eerste lid geldt niet voor een horecabedrijf in
een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
Winkeltijdenwet voorzover de horeca een
nevenactiviteit is van de winkelactiviteit;
Voor zowel de winkel als het horecabedrijf gelden de
sluitingstijden de Winkeltijdenwet.
4Voorts geldt het eerste lid niet voor:
a een horecabedrijf in zorginstellingen;
b een horecabedrijf in musea;
5 De burgemeester kan een gebied aanwijzen waarin hij
categorieën van horecabedrijven kan benoemen en waarin hij
een maximum kan stellen aan het aantal te verlenen
vergunningen per categorie.
Artikel 2.3.1.3 Opheffing vergunningplicht
(vervallen)
Artikel 2.3.1.4 Sluitingstijden
Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit
voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers
toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot
en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur, en op
zaterdag en zondag tussen 04.00 uur en 07.00 uur met
dien verstande dat, op zaterdag en zondag bezoekers
die voor 01.30 uur in een horecabedrijf aanwezig
zijn aldaar tot 04.00 uur mogen verblijven
De burgemeester kan door middel van een
vergunningvoorschrift andere sluitingstijden
vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of
een daartoe behorend terras.
Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet
voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde
voorschriften.
De burgemeester kan de houder van een horecabedrijf
die in het bezit is van een drank- en
horecavergunning als bedoeld in artikel 3 van de
drank en Horecawet, voor zaterdagen, zondagen en
collectieve dagen een nachtvergunning verlenen, dat
aan de houder van een horecabedrijf toestaat om in
zijn horecabedrijf publiek te laten verblijven
tussen 01.30 uur en 04.00 uur.
De burgemeester kan de houder van een horecabedrijf
dat niet in bezit is van een drank en
horecavergunning als bedoeld in artikel 3 van de
drank en horecawet, voor zaterdagen, zondagen en
collectieve dagen ontheffing te verlenen van het
bepaalde in lid 1.
6 De burgemeester kan nadere voorschriften stellen.
Artikel 2.3.1.5 Afwijking sluitingsuur; tijdelijke
sluiting
1 De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van
bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één
of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens
artikel 2.3.1.4 geldende sluitingsuren vaststellen of
tijdelijk sluiting bevelen.
2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b
van de Opiumwet.
Artikel 2.3.1.6 Aanwezigheid in gesloten
horecabedrijf
Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de
tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge
een op grond van artikel 2.3.1.5 genomen besluit gesloten
dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.
Artikel 2.3.1.7 Ordeverstoring
Het is verboden in een horecabedrijf de orde te
verstoren.
Artikel 2.3.1.7a Toegang ambtenaren van politie
De houder van een horecabedrijf is verplicht ervoor te
zorgen dat ambtenaren van politie vanaf de weg onmiddellijk
en onbelemmerd toegang hebben tot zijn bedrijf:
a gedurende de tijd dat het bedrijf voor bezoekers geopend
is; dan wel
b gedurende de tijd dat het bedrijf gesloten dient te zijn
en indien die ambtenaren van politie hun vermoeden uiten dat
daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.
Artikel 2.3.1.7b Zakelijk karakter van de vergunning
(vervallen)
Artikel 2.3.1.8 College als bevoegd bestuursorgaan
Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen
inrichting is in de zin van artikel 174 Gemeentewet treedt
niet de burgemeester maar het college van burgemeester en
wethouders op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van het
in deze paragraaf gestelde.
Artikel 2.3.1.9 Zwarte lijst
1 Het is de houder van een horecabedrijf als bedoeld in
artikel 2.3.1.1 verboden in dat horecabedrijf toe te laten
of te laten verblijven niet tot zijn gezin behorende
personen, die naar het oordeel van de burgemeester misbruik
van alcoholhoudende drank plegen te maken en van wie de
namen als zodanig door de burgemeester schriftelijk aan de
houder zijn opgegeven.
2 De houder van een horecabedrijf is verplicht, indien een
persoon als bedoeld in het eerste lid die zich in zijn
horecabedrijf bevindt, in gebreke blijft deze te verlaten,
hiervan terstond kennis te geven aan de politie.
3 Het is verboden inzage te verlenen in de opgave, bedoeld
in het eerste lid of daaromtrent mededelingen te doen aan
anderen dan ambtenaren van de politie.
Paragraaf 2 Toezicht op inrichtingen tot het
verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2.3.2.1 Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
1 inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin, in de
uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de
mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen
wordt verschaft;
2 houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel
daarin de feitelijke leiding heeft.
Artikel 2.3.2.2 Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of
het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen
een week daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de
burgemeester.
Artikel 2.3.2.3 Nachtregister
1 De houder van een inrichting of een voor hem handelend
persoon is verplicht een register, als bedoeld in artikel
438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is
ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde
model.
2 De houder van een inrichting of een voor hem handelend
persoon is verplicht het in het eerste lid bedoelde register
aan de burgemeester of aan een door hem aangewezen ambtenaar
over te leggen op een door de burgemeester te bepalen
wijze.
Artikel 2.3.2.4 Verschaffing gegevens
nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de
kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die
inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam,
adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats,
betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te
verstrekken.
Paragraaf 3 Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2.3.3.1 Speelgelegenheden
1 Deze paragraaf verstaat onder speelgelegenheid: een voor
het publiek toegankelijke gelegenheid waarin de mogelijkheid
wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in
geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
verloren.
Het is verboden zonder vergunning van de
burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of
te doen exploiteren. Het verbod is niet van
toepassing op:
speelautomatenhallen waarvoor op grond van
artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de
Kansspelen vergunning is verleend;
speelgelegenheden waarvoor de minister van
Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is
vergunning te verlenen;
speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt
geboden om het kleine kansspel als bedoeld in
artikel 7c van de Wet op de kansspelen te
beoefenen, of te spelen op speelautomaten als
bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen,
of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a,
van de Wet op de kansspelen te verrichten.
De burgemeester weigert de vergunning:
indien naar zijn oordeel moet worden
aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de
omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare
orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden
beïnvloed door de exploitatie van de
speelgelegenheid.
indien de exploitatie van een speelgelegenheid
in strijd is met een geldend bestemmingsplan
Artikel 2.3.3.2 Speelautomaten
1In dit artikel wordt verstaan onder:
a Wet: de Wet op de kansspelen
b speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
a, van de Wet;
c kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
onder c, van de Wet;
d hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
artikel 30, onder d, van de Wet;
e laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
artikel 30, onder e, van de Wet.
2In hoogdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten
toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.
3 In laagdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten
toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het
geheel niet zijn toegestaan.
Afdeling 4 Maatregelen tegen overlast
en baldadigheid
Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of
lokaal
1 Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet
gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal
of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te
betreden.
2 Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk
lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een
voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend
erf te betreden.
3 Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid
in de woning of het lokaal wegens dringende reden
noodzakelijk is.
4 De burgemeester is bevoegd van het in het eerste of tweede
lid bedoelde verbod ontheffing te verlenen.
Artikel 2.4.2 Plakken en kladden
1 Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende
zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te
bekladden.
2 Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een
onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:
a een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
aanduiding, aan te plakken of op andere wijze aan te
brengen;
b met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige
afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen.
3 Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van
toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk
voorschrift.
4 Burgemeester en wethouders kunnen aanplakborden aanwijzen
voor het aanbrengen van meningsuitingen en
bekendmakingen.
5 Het is verboden de in het vierde lid bedoelde
aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van
handelsreclame.
6 Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen
voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen,
welke geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de
meningsuitingen en bekendmakingen.
7 De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
8 Het is verboden om glasbakken, kledingboxen en
papiercontainers te bekrassen of te bekladden.
Artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap e.d.
1 Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg of
openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig
aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof
of verfgereedschap.
2 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
toepassing, indien de in dat lid bedoelde materialen of
gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor
handelingen als verboden in artikel 2.4.2.
Artikel 2.4.4 Vervoer inbrekerswerktuigen
1 Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg te
vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels,
touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp
of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang
tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel
van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
voorkomen.
2 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
toepassing indien de in dat lid bedoelde gereedschappen,
voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de
in dat lid bedoelde handelingen.
Artikel 2.4.5 Betreden van plantsoenen e.d.
1 Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden
zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud
zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of
grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.
2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
het in het eerste lid gestelde verbod.
Artikel 2.4.6 Rijden over bermen e.d.
Het is verboden met voertuigen die niet voorzien
zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de
glooiing of de zijkant van een weg.
Onder weg wordt verstaan wat artikel 1 van de
Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
Het verbod geldt niet indien dat rijden door de
omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt.
Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin
geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
wegenreglement.
Artikel 2.4.7 Hinderlijk gedrag op of aan de
weg
1 Het is verboden:
a op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een
beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
straatmeubilair;
b zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan
weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen
woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt;
c zich te bevinden op een nader door burgemeester en
wethouders aan te wijzen speelgelegenheid of speelterrein
gedurende een nader te bepalen periode in het kader van de
overlastbestrijding.
2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
zover artikel 424, 426 bis, 431 van het Wetboek van
Strafrecht, of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van
toepassing is.
Artikel 2.4.8 Hinderlijk gebruik van drank of
softdrugs
1 Het is verboden op de weg alcoholhoudende drank te
nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
2 Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
a een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld
in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;
b de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld
onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35
van de Drank- en Horecawet.
3 Het is verboden op de weg of weggedeelten softdrugs te
gebruiken of openlijk voorhanden te hebben.
4 Onder softdrugs worden verstaan: de middelen, genoemd in
lijst II, onderdeel b, behorende bij de Opiumwet.
Artikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag bij of in
gebouwen
1 Het is verboden:
a zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
houden;
b in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een
gebouw te zitten of te liggen.
2 Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van
flatgebouwen, appartements-gebouwen en soortgelijke
meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek
toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te
bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde
ruimte van een zodanig gebouw.
Artikel 2.4.10 Gedrag in voor publiek toegankelijke
ruimten
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426
bis en 431 van het Wetboek van Strafrecht is het
verboden op of aan de weg, of in een voor het
publiek toegankelijk gebouw op enigerlei wijze de
orde te verstoren, zich hinderlijk te gedragen,
personen lastig te vallen, te vechten, deel te nemen
aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door
uitdagend gedrag aanleiding te geven tot
wanordelijkheden.
Het is verboden om in het geval van wanordelijkheden
of indien er ernstig gevaar voor het ontstaan
daarvan dreigt, op de in het eerste lid genoemde
plaatsen een voorwerp of stof, kennelijk meegebracht
om die orde te verstoren, bij zich te hebben.
Het is verboden zich te begeven of te bevinden op
terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door
of vanwege de Politie of de Gemeente in het belang
van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
wanordelijkheden zijn afgezet.
Het is verboden een voorwerp dat ter afzetting of
afsluiting van een gedeelte van de weg of vanwege
het bevoegde gezag is aangebracht, te verplaatsen,
te verwijderen of omver te halen.
Artikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen e.d.
Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets
te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een
raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de
ingang van een portiek, indien:
a dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van
de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;
b daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2.4.12 Overlast van fiets of bromfiets op
markt- en kermisterrein e.d.
Het is verboden op de door het college of de burgemeester
aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets
te bevinden op een door het college of de burgemeester
aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering,
bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek
trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het
terrein.
Artikel 2.4.13 Bespieden van personen
1 Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan
wel van een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met
de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit
gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon,
te bespieden.
2 Het is verboden door middel van een verrekijker een zich
in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te
bespieden.
Artikel 2.4.14 Bewakingsapparatuur
(vervallen)
Artikel 2.4.15 Nodeloos alarmeren
(vervallen)
Artikel 2.4.16 Alarminstallaties
(vervallen)
Artikel 2.4.17 Loslopende honden, verboden plaatsen,
identificatie
1 Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die
hond te laten verblijven of te laten lopen:
a binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond
aangelijnd is;
b op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide
of op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen
plaats;
c op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een
door middel van tatoeage aangebracht identificatiemerk, die
de eigenaar of houder duidelijk doen kennen.
2 Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd
in het eerste lid onder a niet geldt.
3 De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden
niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich
vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden
en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of
indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar
gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.
Artikel 2.4.18 Verontreiniging door honden
1 De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te
zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:
a op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is
bestemd voor het verkeer van voetgangers;
b op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
speelweide;
c op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen
plaats.
2 Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd
in het eerste lid, onder a niet geldt.
3 De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste
lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of
houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen
onmiddellijk worden verwijderd.
Artikel 2.4.19 Gevaarlijke honden
1 Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die
hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg
of op het terrein van een ander:
a anders dan kort aangelijnd, nadat burgemeester en
wethouders aan de eigenaar of de houder hebben bekendgemaakt
dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een
aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond
noodzakelijk vinden;
b anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf,
nadat burgemeester en wethouders de eigenaar of de houder
hebben bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of
hinderlijk achten en zij een aanlijn- en muilkorfgebod in
verband met het gedrag van die hond noodzakelijk
vinden.
2 In afwijking van artikel 2.4.17, aanhef en onder c, geldt
voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond
moet zijn voorzien van een optisch leesbaar, niet
verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of in de
buikwand, inhoudende: (eisen tatoeage aangeven)
3 In het eerste lid wordt verstaan onder:
a muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d,
van de Regeling agressieve dieren;
b kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met
een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer
is dan 1,50 meter.
4 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
toepassing voorzover de Regeling agressieve dieren van
toepassing is.
Artikel 2.4.20 Houden van hinderlijke of schadelijke
dieren
1 Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van
de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde
plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing
van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden
is daarbij aangeduide dieren:
a aanwezig te hebben; dan wel
b aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door
hen ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan
de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel
c aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.
2 Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide
dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders
dan met inachtneming van de door het college gestelde
regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan
door het- college is aangegeven.
3 Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak
gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen
gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het
tweede lid gestelde verbod.
Artikel 2.4.21 Wilde dieren
(vervallen)
Artikel 2.4.22 Loslopend vee
De rechthebbende op vee, dat zich bevindt in een aan een weg
liggend weiland of terrein dat niet van die weg is
afgescheiden door een deugdelijke veekeuring, is verplicht
ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden
dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2.4.23 Duiven
1 De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen
dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 08.00 uur en
18.00 uur in een door burgemeester en wethouders te bepalen
tijdvak gelegen tussen 1 maart en 1 juni.
2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
het in het eerste lid gesteld gebod.
3 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
Provinciale ophokverordening.
Artikel 2.4.24 Bijen
1Het is verboden bijen te houden:
a binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere
gebouwen waar overdag mensen verblijven;
b binnen een afstand van 30 meter van de weg.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet
indien op een afstand van ten hoogste zes meter
vanaf de korven of kasten een afscheiding is
aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger
als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van
de bijen te voorkomen.
Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde
verbod geldt niet voorzover de bijenhouder
rechthebbende is op de woningen of gebouwen als
bedoeld in dat lid.
Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde
verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal
wegenreglement.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde
verbod ontheffing verlenen.
Artikel 2.4.25 Bedelarij
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op
of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw
te bedelen om geld of andere zaken.
Afdeling 5 Bepalingen ter bestrijding
van heling van goederen
Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de
algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437,
eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
b Verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen
of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en
ongeregelde goederen door de handelaar.
Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het
verkoopregister
1 De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op
andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of
namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin
vermeldt hij onverwijld:
a het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
goed;
b de datum van verkoop of overdracht van het goed;
c een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor
zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het
goed;
d de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van
het goed;
e de naam en het adres van degene die het goed heeft
verkregen.
2 De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van
deze verplichtingen.
Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel
437ter, eerste lid, van het Wetboek van
Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is
verplicht:
a wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437
ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de
burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er
schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een
beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave
te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van
elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in
gebruik genomen;
b de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van
zijn register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie
dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering
van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van
een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik
zijnde lokaliteit;
c aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming
is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de
aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen;
d indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen
waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van
misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a
bedoelde functionaris;
e zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven
aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester
aangewezen ambtenaar;
f wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of
gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van
handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde
functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen
drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.
Artikel 2.5.4 Vervreemding van door opkoop verkregen
goederen
Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon
verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste
drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen
of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze
wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het
goed.
Artikel 2.5.5 Handel in horecabedrijf
1 Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te
laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in
die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige
andere wijze overdraagt.
2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
openbare verkopingen en veilingen.
3 In dit artikel wordt verstaan onder:
a horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1,
eerste en tweede lid;
b houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1.1, vierde
lid.
Afdeling 6: Vuurwerk
Artikel 2.6.1 Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder
consumentenvuurwerk:
Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002,
houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en
professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing
is.
Artikel 2.6.2 Ter beschikking stellen van
consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen
dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden,
zonder een vergunning van het college van de gemeente waar
het bedrijf is of zal worden gevestigd.
Artikel 2.6.3 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens
de jaarwisseling
Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op
een door het college in het belang van de voorkoming
van gevaar, schade of overlast aangewezen
plaats.
Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg
of op een voor publiek toegankelijke plaats te
bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan
veroorzaken.
De in het eerste en tweede lid gestelde verboden
gelden niet voorzover in het daarin geregelde
onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en
onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 7 Drugsoverlast
Artikel 2.7.1 Verbod begeven op de weg om drugs te
verhandelen
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op
of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te
bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te
bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het
kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en
3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet
tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven,
daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Afdeling 8 Bestuurlijke
ophouding
Artikel 2.8.1 Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet
besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem
aangewezen groep(en) van personen op een door hem aangewezen
plaats, indien deze personen de artikelen die betrekking
hebben op het samenscholingsverbod, optochten, hinderlijk
gedrag op of aan de weg en hinderlijk drankgebruik
groepsgewijs niet naleven.
HOOFDSTUK 2 › Afdeling 2
Artikel 2.2.1
Begripsomschrijving
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Wijk bij Duurstede 2008
Verwijzingen
- artikel 1
- artikel 2
- artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 437
- Artikel 2
- artikel 30c
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 7c van de Wet op de kansspelen
- Artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 424
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 5
- artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 429
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30 van de Wet op de kansspelen
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 437
- artikel 2
- artikel 10
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30
- artikel 160
- Artikel 2
- artikel 13b van de Opiumwet
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2