1.In deze verordening wordt verstaan onder:
a.Afstemming
:
Verlaging van de uitkering op grond van artikel 18,
lid 2 WWB, verlaging van de uitkering op grond van
artikel 20, lid 2 IOAW of artikel 20, lid 1 IOAZ,
evenals het tijdelijk geheel of gedeeltelijk
weigeren van een uitkering op grind van artikel 20,
lid 1 IOAW en artikel 20, lid 2 IOAZ;
b.Bbz
:
Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004;
c.Bijstand
:
De bijstandsnorm bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 2
en 3 van de WWB;
d.College
:
Het college van burgemeester en wethouders;
e.Grondslag
:
Toepasselijke grondslag, als bedoeld in artikel 5,
lid 3, 4 en 5, IOAW of artikel 5, lid 4 IOAZ;
f.IOAW
:
Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
g.IOAZ
:
Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
h.Reïntegratievoorziening
:
Een voorziening, gericht op het vergroten van de
mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of
participatie;
i.Uitkering
:
Bijstandsuitkering of uitkering als bedoeld in
artikel 9 IOAW of IOAZ;
j.WI
:
Wet Inburgering;
k.WWB
Wet werk en bijstand
2.Alle begrippen die verder in deze verordening gebruikt worden en die
niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WWB,
Bbz, IOAW, IOAZ, WI en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).