Artikel 37. Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet
In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Het college kan een krediet beschikbaar stellen voor het verrichten van vooronderzoek naar het uitvoeren van een voorgenomen voorziening, als bedoeld in artikel 2, met uitzondering van2A6, 2A9 en 2A10, indien het toepassen van de verordening geen duidelijkheid geeft of de voorgenomen voorziening voor plaatsing op het programma in aanmerking komt.
Artikel 38. Indexering
Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de bekostiging van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV, deel A, hoofdstuk 4, opgenomen prijsindexen en systematiek van prijsbijstelling.
Artikel 39. Citeertitel; inwerkingtreding
De verordening wordt aangehaald als: “Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Bergen op Zoom 2014”.
Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2014.
Bijlage I Criteria over beoordeling van aangevraagde voorzieningen
Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere voorwaarden waaronder – behoudens de financiële toets – de voorziening voor bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen vallen uiteen in twee delen:
deel A: lesgebouwen:
1. nieuwbouw
2. vervangende bouw
3. uitbreiding
4. ingebruikneming van een bestaand gebouw
5. verplaatsing bestaande noodlokalen of semi permanente lokalen
6. terrein
7. eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
8. medegebruik
9. aanpassing
10. herstel van constructiefouten
11. herstel / vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden
deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening:
1. nieuwbouw
2. vervangende bouw
3. uitbreiding
4. ingebruikneming van bestaande gymnastiekruimte
5. terrein
6. eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
7. medegebruik
8. aanpassing
9. herstel van constructiefouten
10. herstel / vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden
DEEL A Lesgebouwen
Algemeen
De voorzieningen genoemd onder 2 (vervangende bouw), 3.1 (uitbreiding met één of meer leslokalen), 3.2.a (uitbreiding basisschool met tweede speellokaal), 3.2.b (uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met speellokaal) en 9.f (creëren speellokaal binnen gebouw van school voor basisonderwijs) worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college.
1. Nieuwbouw
De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:
het feit dat de minister de betreffende school of nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;
het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste 10 jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht; of
het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, langer dan 1 maar korter dan 6 jaar, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijf jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht; of
het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, langer dan 5 en korter dan 15 jaar, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht; en
het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw in de directe omgeving van de school alsmede van de mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.
2. Vervangende bouw
De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:
het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen, volgens de bouwkundige opname als bedoeld in artikel 6, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);
het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste 10 jaren deze groepen leerlingen worden verwacht; of
het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, langer dan 1 maar korter dan 6 jaar, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijf jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht; of
het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, langer dan 5 en korter dan 15 jaar, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht; en
het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw in de directe omgeving van de school alsmede van de mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.
Daarnaast kan sprake zijn van vervangende nieuwbouw als:
vervanging per saldo geen meerkosten met zich mee brengt, zulks ter beoordeling van het college;
vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een herschikkingoperatie;
vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening noodzakelijk is.
Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.
3. Uitbreiding
3.1. Uitbreiding met één of meer leslokalen
De noodzaak voor uitbreiding met één of meer leslokalen blijkt uit:
het feit dat er ten minste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw of de gebouwenals vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, aanwezig is;
het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste 10 jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan of kunnen worden verwacht; of
het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, langer dan 1 maar korter dan 6 jaar, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijf jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht; of
het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, langer dan 5 en korter dan 15 jaar, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht; en
het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw in de directe omgeving van de school alsmede van de mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren, en
het niet mogelijk is tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, door gebruikmaking van een bestaand verschil in oppervlakte tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig één of meer benodigde leslokalen te maken.
3.2.a. Uitbreiding basisschoolmet een tweede speellokaal
De noodzaak voor uitbreiding met een tweede speellokaal blijkt uit:
het feit dat de basisschool ten minste vijf groepen jongste leerlingen (van vier en vijf jaar oud) van tenminste 20 leerlingen telt en dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste 10 jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht; of
het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, langer dan 1 maar korter dan 6 jaar, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijf jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht; of
het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, langer dan 5 en korter dan 15 jaar, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht; terwijl
voor het spelen (van een deel) van de vier- en vijfjarigen geen gebruik kan worden gemaakt van een gymnastiekaccommodatie of van een speellokaal van een andere basisschool of speciale school voor basisonderwijs binnen 300 meter hemelsbreed.
3.2.b. Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een speellokaal
De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:
het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten;
het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereiste uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste 10 jaren zal blijven bestaan; en
het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is; terwijl
medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is; en
evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, inpandig een speellokaal te maken.
4. Ingebruikneming van een bestaand gebouw
De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:
het feit dat de minister de betreffende school of nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; of
het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt; terwijl
de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste 10 jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht; of
het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, langer dan 1 maar korter dan 6 jaar, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijf jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht; of
het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, langer dan 5 en korter dan 15 jaar, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht; en
er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt alsmede van de mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren; en
de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen redelijk zijn in verhouding tot de kosten van vervangende bouw of uitbreiding zulks ter beoordeling van het college.
5. Verplaatsing bestaande noodlokalen of semi permanente lokalen
De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen of semi permanente lokalen is aan de orde als de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.
6. Terrein
De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming, verplaatsing van noodlokalen of verplaatsing van semi permanente lokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.
7. Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en / of meubilair blijkt uit het feit dat de school of nevenvestiging, op grond van de meest recente teldatum, uitgebreid wordt met ten minste een groep leerlingen en voor zo'n uitbreiding in de periode vanaf 1 augustus 1985 (school voor basisonderwijs) / 1 januari 1988 (school voor (voortgezet) speciaal onderwijs) nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.
Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra onderwijsleerpakket en/of meubilair, indien het aantal groepen gewogen leerlingen van de school na fusie groter is dan dat van de aan de fusie deelnemende scholen.
De noodzaak voor een toeslag tweede speellokaal onderwijsleerpakket en / of meubilair ten behoeve van school voor basisonderwijs blijkt uit het feit dat een basisschool uitgebreid wordt met een tweede speellokaal.
8. Medegebruik
De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met ten minste de in bijlage III, deel C vermelde drempelwaarde overschrijdt.
9. Aanpassing
De voorziening aanpassing bestaat uit:
wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is voor het basisonderwijs of het (voortgezet) speciaal onderwijs gelet op de eisen gesteld in bijlage III, deel A en D;
een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten, of om – afgezien van een speellokaal – een gebouw van een speciale school voor basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar;
creëren (extra) leslokaal binnen het gebouw;
functieverandering van vaklokalen als gevolg van de keuze van een ander vak bij een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs;
creëren speellokaal binnen het gebouw van een school voor basisonderwijs;
voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en regelgeving;
vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties;
het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen.
Ad a. Wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is voor het basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs gelet op de eisen gesteld in bijlage III, deel A en D
De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het betreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor een school, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.
Ad b. Integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten, of om, afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar
De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat het aantal groepen leerlingen zodanig terugloopt dat het gebruik van een gebouw moet worden beëindigd omdat binnen het (hoofd)gebouw of één of meer gebouwen voldoende ruimte aanwezig is, terwijl dit gebouw c.q. gebouwen niet is ingericht voor het betreffende onderwijs.
De noodzaak om een gebouw van een speciale school voor basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar, blijkt uit het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten, terwijl het gebouw niet geschikt is voor onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar.
Ad c. Creëren (extra) leslokaal binnen het gebouw
De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat er meer groepen leerlingen aanwezig zijn dan waar de capaciteit van het gebouw, als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A ruimte voor biedt, terwijl er tevens sprake is van een bruikbaar verschil in oppervlakte tussen de feitelijke bruto oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte die het mogelijk maakt inpandig één of meer noodzakelijke extra leslokalen te creëren. Indien het inpandig creëren van een leslokaal meer kost dan uitbreiding wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is.
Ad d.Functieverandering van vaklokalen als gevolg van de keuze van een ander vak bij een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs
De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de keuze voor een ander vak op het schoolwerkplan door de onderwijsinspecteur is goedgekeurd.
Ad e. Creëren speellokaal binnen het gebouw van een school voor basisonderwijs
De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat er één of meer groepen vier- en vijfjarigen aanwezig zijn in het gebouw, terwijl er geen ruimte groter dan 56 m2 aanwezig is en er geen medegebruik van een speellokaal binnen 300 meter mogelijk is. Voor een speciale school voor basisonderwijs is de noodzaak ook afhankelijk van het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten. Indien het inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een uitbreiding, zulks ter beoordeling van het college, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is.
Ad f. Voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en regelgeving
De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil op korte termijn moet worden opgeheven.
Ad g. Vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties
De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging noodzakelijk is.
Ad h. Het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen
De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een traplift dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.
De onder 9 vermelde aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste 10 jaren voldoende leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere, goedkopere voorziening mogelijk is, zulks ter beoordeling doorhet college.
10. Herstel van constructiefouten
De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit het feit dat door een bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.
11. Herstel/vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden
De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid de voortgang van het onderwijs in het betreffende gebouw wordt belemmerd.
DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening
1. Nieuwbouw
De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:
het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; en
bij een school voor basisonderwijs: het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten;
bij een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen de grenzen van de gemeente bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen (voortgezet) speciaal onderwijs gebruik te maken van één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten; en
het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste 10 jaren de groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn.
2. Vervangende bouw
De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:
het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging); en
bij een school voor basisonderwijs: het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten;
bij een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen de grenzen van de gemeente bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen (voortgezet) speciaal onderwijs gebruik te maken van één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten; en
het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste 10 jaren de groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn.
3. Uitbreiding
De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:
het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd wordt; en
bij een school voor basisonderwijs: het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten;
bij een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen de grenzen van de gemeente bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen (voortgezet) speciaal onderwijs gebruik te maken van één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten; en
het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste 10 jaren de groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn.
4. Ingebruikneming van een gymnastiekruimte
De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:
het feit dat de minister de school of nevenvestigingvoor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; of
het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde bij 2 onder a, in aanmerking komt; en
bij een school voor basisonderwijs: het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten;
bij een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen de grenzen van de gemeente bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen (voortgezet) speciaal onderwijs gebruik te maken van één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten; en
het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste 10 jaren het door het college vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn; en
de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw.
5. Terrein
De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.
6. Eerste inrichting onderwijsleerpakket en / of meubilair
De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket en / of meubilair blijkt uit:
het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd; en
het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste inrichting onderwijsleerpakket en / of meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.
De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:
het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd; en
het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.
7. Medegebruik
De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.
8. Aanpassing
De aanpassingen bestaan uit:
het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectieve gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;
het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectieve gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;
wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in bijlage III, deel A en D;
voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;
vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.
Ad a. Maken voldoende wasgelegenheid
De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.
Ad b. Maken voldoende kleedgelegenheid
De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.
Ad c. Wijziging ingebruikneming
De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het basisonderwijs en / of (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.
Ad d. Eisen wet- en regelgeving
De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil op korte termijn moet worden opgeheven.
Ad e. Vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties
De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging noodzakelijk is. De onder 8 vermelde aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere voorziening mogelijk is.
9. Herstel constructiefouten
De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.
10. Herstel / vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden
De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt belemmerd.
Bijlage II Criteria over opstelling en toetsing van leerlingprognoses
De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in artikel 6, tweede lid onder a en artikel 19, eerste lid onder c wordt gemaakt voor een periode van tenminste 10 jaren te starten met het gewenste jaar van bekostiging.
In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van welke prognose termijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijn prognose vereist is, terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een korte termijn prognose.
De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:
het voedingsgebied of de voedingsgebieden;
de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;
de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele uitbreiding van het voedingsgebied;
de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;
de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de woningvoorraad;
de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de school; en
het onderwijs, dat wordt gegeven.
De prognose is niet meer dan twee jaar oud.
De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a tot en met g voor een periode van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaande aan de indiening van de aanvraag.
Bijlage III Criteria over oppervlakte en indeling
De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:
deel A: de bepaling van de capaciteit:
school voor basisonderwijs
school voor (voortgezet) speciaal onderwijs
terrein, inventaris en gymnastiekruimten
deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte:
lesgebouwen
gymnastiekruimten
onderwijsleerpakket en meubilair
deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning:
voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen
voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
overige voor blijvend gebruik dan wel tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
gymnastiekruimten
deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen:
school voor basisonderwijs
school voor (voortgezet) speciaal onderwijs
gymnastiekruimten
DEEL A De bepaling van de capaciteit
1. School voor basisonderwijs
De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit indien de hiertoe beschikbare komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige doeleinden.
1.1. Gebouwen van hoofd -en nevenvestigingen (inclusief de T&B dislocaties) met een permanente of tijdelijke bouwaard
De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1 “meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs”.
De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het betreffende gebouw. Het aantal lokalen in een gebouw betreft het aantal lesruimten, inclusief het handvaardigheidlokaal, groter dan of gelijk aan 42 m2. De speellokalen worden niet meegeteld.
De capaciteit van een gebouw voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld in het aantal groepen waarvoor een gebouw geschikt is. Dit aantal groepen is het aantal lokalen verminderd met 1. Het aantal lokalen wordt verminderd met 2 indien het gebouw bestaat uit meer dan 13 lokalen en het aantal lokalen wordt verminderd met 3 indien het gebouw bestaat uit meer dan 26 lokalen om het aantal groepen te bepalen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal lokalen in een gebouw betreft het aantal lesruimten, inclusief de vaklokalen, groter dan of gelijk aan 42 m². De speellokalen worden niet meegeteld.
Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.
Om te kunnen bepalen of een gebouw is overgedimensioneerd dient een relatie te worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het aantal groepen en de normatieve capaciteitsvaststelling. Het aantal groepen, waarvoor een gebouw normatief geschikt is, op basis van de BVO, vastgesteld met behulp van de onderstaande tabellen 1, 2 en 3 voor respectievelijk huisvesting met een permanente bouwaard en huisvesting met een tijdelijke bouwaard.
Tabel 1 Gebouwen met een permanente bouwaard
minimale BVO
aantal groepen leerlingen
Permanente gebouwen voor een basisschool waarin meer dan 30 leerlingen worden gehuisvest
350
2
465
3
580
4
785
5
900
6
1015
7
1130
8
1245
9
1360
10
1475
11
1590
12
1705
13
En vervolgens te verhogen met telkens 115 m2
t.b.v. 1 groep leerlingen
minimale BVO
aantal groepen leerlingen
Permanente gebouwen voor een basisschool waarin minder dan 31 leerlingen worden gehuisvest
330
2
Indien het gebouw beschikt over een tweede speellokaal wordt de minimale bruto vloeroppervlakte zoals weergegeven in tabel 1, opgehoogd met 90 m².
vaste voet m2
inclusief
m2 per groep
toeslag m2 extra ruimte
Permanente gebouwen voor een speciale school voor basisonderwijs
670
4
105
125
De vaste voet aan bruto vloeroppervlakte voor een speciale school voor basisonderwijs is inclusief ruimten voor een bepaald aantal groepen. Dit aantal groepen is in de kolom “inclusief” weergegeven.
De toeslag voor extra ruimte voor een speciale school voor basisonderwijs omvat een aantal extra m² voor het creëren van een extra lokaal, niet zijnde een speellokaal (hiervoor geldt een aparte toeslag). De toeslag extra ruimte wordt toegekend bij het vormen van de 12e groep.
Tabel 2 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, zelfstandige huisvesting
BVO
aantal groepen leerlingen
Minimale BVO aantal groepen leerlingen, school voor basisonderwijs
305
2
410
3
515
4
710
5
815
6
920
7
1025
8
En vervolgens te verhogen met telkens 105 m2
t.b.v. 1 groep leerlingen
Tabel 3 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende huisvesting
BVO
aantal groepen leerlingen
Minimale BVO aantal groepen leerlingen, speciale school voor basisonderwijs
100
1
180
2
260
3
340
4
420
5
En vervolgens te verhogen met telkens 80 m2
t.b.v. 1 groep leerlingen
Indien het werkelijke aantal lokalen in een gebouw afwijkt van het aantal groepen zoals vastgesteld op basis van de tabellen 1, 2 en 3 of is het aantal lokalen de capaciteit van het gebouw. In het geval dat het aantal lokalen kleiner is dan het aantal groepen zoals is vastgesteld op basis van de tabellen 1, 2 en 3 wordt de zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke BVO en de normatieve BVO behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Deze verschiloppervlakte is het aantal m2 waarmee de BVO van het gebouw is overgedimensioneerd. De registratie vindt plaats vanwege het mogelijk verwerken van deze overdimensionering van de BVO op het moment dat het gebouw ten behoeve van de vergroting van de capaciteit moet worden uitgebreid.
1.2. Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard
Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het gestelde onder 1.1 met uitzondering van de verwijzing naar de tabellen 1, 2 en 3. Voor de bepaling van het aantal te huisvesten groepen leerlingen wordt uitgegaan van 115 m2 BVO per groep leerlingen indien sprake is van een gebouw met een permanente bouwaard en van 80 m2 per groep leerlingen indien sprake is van een gebouw met een tijdelijke bouwaard.
De capaciteit van dislocaties voor speciale scholen voor basisonderwijs wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Dit aantal groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het desbetreffende gebouw. Het aantal lokalen betreft het aantal lesruimten, inclusief de vaklokalen, groter dan of gelijk aan 42 m². De speellokalen worden niet meegeteld. Voor dislocaties voor speciale scholen voor basisonderwijs is de “overdimensionering” niet te bepalen.
1.3. Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties
De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.
Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en één of meerdere dislocaties wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevens administratie van het ministerie. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat het meest geschikt is om als enig gebouw voor de school te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw.
Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt de doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.
Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor omschreven. De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, hetcollege anders beslist.
2. School voor(voortgezet) speciaal onderwijs
De capaciteit van de gebouwen voor een school in het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld.
2.1. Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard
De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als: BVO) van een gebouw is de BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1 de meetinstructie voor het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het primair onderwijs.
De capaciteit van een gebouw wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor een gebouw geschikt is. Dit aantal groepen is het aantal lokalen verminderd met 1. In het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt het aantal lokalen verminderd met 2 indien het gebouw bestaat uit meer dan 14 lokalen en wordt het aantal lokalen verminderd met 3 indien het gebouw bestaat uit meer dan 28 lokalen om het aantal groepen te bepalen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal lokalen in een gebouw betreft het aantal lesruimten, inclusief de vaklokalen, groter dan of gelijk aan 42 m2. Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.
Om te kunnen bepalen of een gebouw is overgedimensioneerd, dient een relatie te worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het aantal groepen en normatieve capaciteitsvaststelling. Het aantal groepen, waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op basis van de BVO, vastgesteld met behulp van de oppervlakteformules, voor gebouwen met een permanente bouwaard, van tabel 4 “Ruimtenormering VSO”. Voor de vaststelling van het aantal groepen, waarvoor een gebouw normatief geschikt is voor gebouwen met een tijdelijke bouwaard worden de tabellen “Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, zelfstandige huisvesting” en “Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende huisvesting” gehanteerd.
Tabel 4 Ruimtenormering (V)SO
schoolsoort
vaste voet m2
inclusief
m2 per groep
toeslag m2 extra ruimte
LZ
SO
638
4 groepen
100
105
VSO
575
4 groepen
80
90
ZMLK
SO
585
4 groepen
95
100
VSO
600
4 groepen
93
80
SH / ESM
SO
628
4 groepen
95
130
VSO
563
4 groepen
84
65
D
SO
775
7 groepen
75
105
VSO
800
7 groepen
84
60
De vaste voet aan BVO is inclusief ruimten voor een bepaald aantal groepen. Het aantal groepen is in de kolom “inclusief” gegeven. De relatie tussen de vaste voet en de minimum opheffingsnorm voor de scholen is hiermee in stand gebleven.
De toeslag voor extra ruimte (ER) voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs omvat een aantal extra m² voor het creëren van een extra lokaal. De toeslag extra ruimte wordt toegekend bij het vormen van de 13e groep.
Indien het aantal groepen waarvoor het gebouw normatief geschikt is, zoals vastgesteld op basis van de tabel “Ruimtenormering (V)SO”, groter is dan het aantal groepen, zijnde de capaciteit op basis van het aantal lokalen, wordt de verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke BVO en de BVO behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Deze verschiloppervlakte is het aantal m2 waarmee het gebouw is overgedimensioneerd en wordt als zodanig geregistreerd. De registratie vindt plaats vanwege het mogelijk verwerken van deze overdimensionering van de BVO op het moment dat het gebouw ten behoeve van de vergroting van de capaciteit moet worden uitgebreid.
2.2. Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente of een tijdelijke bouwaard
De capaciteit van een gebouw wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Dit aantal groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het desbetreffende gebouw. Het aantal lokalen betreft het aantal lesruimten, inclusief de vaklokalen, groter dan of gelijk aan 42 m².
Voor de bepaling van de overdimensionering van een nevenvestiging wordt de normatieve capaciteit van een nevenvestiging bepaald met behulp van tabel 3 “Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende huisvesting” uit hoofdstuk 1 van deze bijlage.
NB: voor dislocaties is de “overdimensionering” niet te bepalen.
2.3. Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties
De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.
Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw en één of meerdere dislocaties wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld.
Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt de doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijk bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.
Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw.
De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college anders beslist.
3. Terrein, inventaris en gymnastiekruimten
3.1. Terrein
Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.
3.2. Inventaris (onderwijsleerpakket en meubilair)
Met de inventarisgegevens worden de gegevens bedoeld, waarmee het aantal groepen van de desbetreffende school wordt vastgesteld, waarvoor het onderwijsleerpakket en meubilair aanwezig is. De aanwezigheid van het onderwijsleerpakket en de aanwezigheid van het meubilair worden afzonderlijk vastgelegd.
3.3. Gymnastiekruimten
3.3.1. Gymnastiekruimte
De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs bedraagt 40 klokuren.
3.3.2. Terrein
De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.
3.3.3. Inventaris (onderwijsleerpakket en meubilair)
De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.
DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte
1. Lesgebouwen
Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor de huisvestingsbehoefte. Het bepalen van de huisvestingsbehoefte als gevolg van een aanvraag voor opneming op het programma is afhankelijk van de vraag of een voor blijvend gebruik bestemde voorziening dan wel een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt toegekend.
Ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt voor de bepaling van de ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule onder a. Ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt voor de bepaling van de ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule onder b.
De formatie die aan basisscholen wordt toegekend is opgebouwd uit de bestanddelen formatie onderbouw (A), formatie bovenbouw (B), kleine scholentoeslag (C) en schoolgewicht (D).
a. Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor een basisschool:
G = (A + B + C)/179
waarbij:
G = de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen
Het verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal groepen.
A = het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met 9
Het verkregen getal A wordt niet afgerond.
B = het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17
Het verkregen getal B wordt niet afgerond.
C = 280 minus het totaal aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06
Indien de uitkomst van deze berekening negatief is wordt de factor C op 0 bepaald.
Het verkregen getal C wordt niet afgerond.
b. Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening voor een basisschool:
G = (A + B + C + D)/179 + E + 0,5 F, waarbij:
G = de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen
Het verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal groepen.
A = a. het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de meest recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 9
b.(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de datum van de meest recente telling op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 9
B = a. het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de meest recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17
b.(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de datum van de meest recente telling op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17
C = a. 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op de meest recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06)
b.(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op de datum van de meest recente telling op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06)
Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de factor C op 0 bepaald.
D = a. som van de gewichten op basis van het totaal aantal leerlingen dat op de meest recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, verminderd met 8% van het totaal aantal leerlingen dat op de meest recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven. Indien het schoolgewicht D hoger is dan 80% van het aantal op de meest recente teldatum 1 oktober ingeschreven leerlingen van de school, wordt het schoolgewicht D vastgesteld op 80% van het aantal op de meest recente teldatum 1 oktober op de school ingeschreven leerlingen. Het verkregen getal wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Dit gehele getal wordt vervolgens vermenigvuldigd met 3,2.
b.(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) som van de gewichten op basis van het totaal aantal leerlingen dat op de datum van de meest recente telling op de school is ingeschreven, verminderd met8%van het totaal aantal leerlingen dat op de datum van de meest recente telling op de school is ingeschreven. Indien het schoolgewicht D hoger is dan 80% van het aantal op de meest recente teldatum 1 oktober ingeschreven leerlingen van de school, wordt het schoolgewicht D vastgesteld op 80% van het aantal op de meest recente teldatum 1 oktober op de school ingeschreven leerlingen. Het verkregen getal wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Dit gehele getal wordt vervolgens vermenigvuldigd met 3,2
Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de factor D op 0 bepaald.
De verkregen getallen A, B, C en D worden niet afgerond
E = aanvullende formatie op grond van bijzondere omstandigheden, toegekend op basis van artikel 120, vijfde lid van de WPO
F = het aantal formatieplaatsen onderwijsachterstandenbestrijding dat door de gemeente wordt bekostigd vanuit de specifieke uitkering
Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal groepen bepalend voor de omvang van de permanente en voor de omvang van de tijdelijke voorziening. Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de “N-factor”. De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 14. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.
Voor een schoolof nevenvestiging voor(voortgezet) speciaal onderwijs is het aantal groepen bepalend voor de omvang van de permanente en voor de omvang van de tijdelijke voorziening. Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de “N-factor". De N-factor bepaalt de maximale groepsgrootte. In onderstaande tabel 5 N-factor is de groepsgrootte per onderwijssoort en per schooltype weergegeven. Het cijfer achter de komma wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.
Tabel 5 N-factor
Onderwijssoort
N-factor
SO
VSO
LZ
13
7
ZMLK
12
12
SH / ESM
12
7
D
6
6
2. Gymnastiekruimten
Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per groep leerlingen zes- tot twaalfjarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur gymnastiek. Het aantal groepen is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen. Ten behoeve van de bepaling van het aantal formatieplaatsen wordt uitgegaan van de formule:
G = (A + B + C +D)/179
De componenten G, A, B, C en D zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B, onder 1. Voor het bepalen van het aantal groepen zes- tot twaalfjarigen wordt aangesloten bij het normatieve overzicht “splitsing aantal groepen leerlingen” zoals weergegeven in tabel 5.
Tabel 6 Splitsingstabel aantal groepen leerlingen (G)
Deze tabel geeft inzicht in de genormeerde splitsing van het aantal groepen leerlingen (G) in groepen vier en vijfjarigen en groepen zes- tot en met twaalfjarigen ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening.
groepen per school
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
groepen 4-5-jarigen
1
1
2
2
2
3
3
3
3
4
4
4
5
5
5
6
groepen 6-12-jarigen
1
2
2
3
4
4
5
6
7
7
8
9
9
10
11
11
groepen per school
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
groepen 4-5-jarigen
6
6
6
7
7
7
8
8
8
9
9
9
9
10
10
10
groepen 6-12-jarigen
12
13
14
14
15
16
16
17
18
18
19
20
21
21
22
23
groepen per school
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
groepen 4-5-jarigen
11
11
11
11
12
12
12
13
13
13
14
14
14
14
15
15
groepen 6-12-jarigen
23
24
25
26
26
27
28
28
29
30
30
31
32
33
33
34
Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie voor een basisschool, wordt het aantal groepen bepaald door het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.
Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal groepen bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per groep met leerlingen jonger dan zes jaar wordt, indien de school niet de beschikking heeft over een speellokaal, uitgegaan vanmaximaal 3,75 klokuur gymnastiek. Per groep leerlingen van zes jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek. Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de “N-factor”.
De N-factor is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 14. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond. Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie voor een speciale school voor basisonderwijs wordt het aantal groepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II.
Voor een schoolof nevenvestiging voor(voortgezet) speciaal onderwijs is het aantal groepen bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per groep met leerlingen jonger dan zes jaar wordt, indien de school of nevenvestiging niet de beschikking heeft over een speellokaal, uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek. Per groep leerlingen van zes jaar en ouder wordt uitgegaan vanmaximaal 2,25 klokuur gymnastiek.
Het aantal groepen is afhankelijk van het aantal leerlingen. Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de “N-factor”. De N-factor is bepalend voor de groepsgrootte. In tabel 5 is de N-factor weergegeven. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma hoger is dan 5. In het andere geval wordt naar beneden afgerond. Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie wordt het aantal groepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II.
3. Onderwijsleerpakket en meubilair
De inrichting van een basisschool bestaat uit de volgende componenten:
onderwijsleerpakket;
meubilair.
a. onderwijsleerpakket
Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, wordt voor de bepaling van het aantal groepen uitgegaan van de onderstaande formule:
G = (A + B + C + D) / 179 + E
De componenten G, A, B, C, D en E zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B, onder 1.
b. meubilair
Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend bestemde voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het meubilair, wordt voor de bepaling van het aantal groepen uitgegaan van de onderstaande formule:
G = (A + B + C) /179
De componenten G, A, B en C zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in de formule voor permanent gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B, onder 1.
Voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt het aantal groepen onderwijsleerpakket en meubilair bepaald door het aantal leerlingen te delen door de N-factor. De N-factor is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 14. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.
DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning
De bepaling van de omvang van een inhoudelijk, goedgekeurde voorziening is noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële consequenties vast te stellen.
1. Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, nieuwbouw dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste 15 jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven onderdeel B van deze bijlage: “Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte”.
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, uitbreiding dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste 10 jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvestingscapaciteit aanwezig is, zoals bepaald in bijlage VIII. Het verschil is minimaal 1 groep. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: “Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte". Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk aanwezige aantal m2 en het aantal m2 behorende bij de geregistreerde capaciteit van het uit te breiden gebouw, zoals bepaald in bijlage VIII, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door aanpassing of door aanpassing in combinatie met uitbreiding van het bestaande gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals is omschreven in deel A van deze bijlage: “De bepaling van de capaciteit”. Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het gebouw, dan wel aanpassing en uitbreiding van het gebouw, hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw.
Een toeslag voor een afzonderlijk speellokaal wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, de vijfde groep omvat. Indien de voorziening in de huisvesting een uitbreiding dan wel een uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw betreft, geldt tevens als voorwaarde dat het bestaande gebouw geen speellokaal bevat.
Een toeslag voor een tweede afzonderlijk speellokaal wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw dan wel vervangende nieuwbouw de veertiende groep omvat.
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, ingebruikneming, wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste 15 jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: “Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte".
2. Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste één jaar en korter dan zes jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven onder B van deze bijlage: “Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte”.
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening,nieuwbouw noodlokalen dan wel vervangende nieuwbouw noodlokalen, wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste één jaar en korter dan zes jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven onder B van deze bijlage: “Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte”.
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, nieuwbouw semi permanente lokalen dan wel vervangende nieuwbouw semi permanente lokalen, wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste zes jaar en korter dan 10 jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven onder B van deze bijlage: “Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte”.
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening,uitbreiding met noodlokalen, dan wel uitbreiding met noodlokalen ter vervanging van een bestaand gebouwwordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste één jaar en korter dan zes jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvestingscapaciteit aanwezig is, zoals bepaald in bijlage VIII. Het verschil is minimaal 1 groep. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: “Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte”.
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, uitbreiding met semi permanente lokalen dan wel uitbreiding met semi permanente lokalen ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste zes jaar en korter dan 10 jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvestingscapaciteit aanwezig is, zoals bepaald in bijlage VIII. Het verschil is minimaal 1 groep. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: “Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte”.
Een tijdelijke voorziening voor één groep extra ten behoeve van een speellokaal wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw noodlokalen of semi permanente lokalen, vervangende nieuwbouw noodlokalen of semi permanente lokalen, uitbreiding met noodlokalen of semi permanente lokalen dan wel uitbreiding met noodlokalen of semi permanente lokalen ter vervanging van een bestaand gebouw, de vijfde groep omvat. Indien de voorziening in de huisvesting een uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw betreft, geldt tevens als voorwaarde dat het bestaande gebouw geen speellokaal bevat. Een tijdelijke voorziening voor ėėn groep extra ten behoeve van een tweede speellokaal wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouwnoodlokalen of semi permanente lokalendan wel vervangende nieuwbouw noodlokalen of semi permanente lokalende veertiende groep omvat.
Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk aanwezige aantal m2 en het aantal m2 behorende bij de geregistreerde capaciteit van het uit te breiden gebouw, zoals bepaald in bijlage VIII, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door aanpassing van het bestaande gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals is omschreven in deel A van deze bijlage: “De bepaling van de capaciteit”. Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het gebouw, hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw.
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, ingebruikneming, wordt bepaald door de omvang van het (gedeelte van het) gebouw dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste één jaaren korter dan 10 jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: “Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte”.
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, verplaatsing van noodlokalen, wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste één jaar en korter dan zes jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven onder B van deze bijlage: “Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte”.
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, verplaatsing van semi permanente lokalen, wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste zes jaar en korter dan 10jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven onder B van deze bijlage: “Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte”.
3. Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, terrein dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met in achtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D.
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, voor een basisschool wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket is bekostigd, zoals bepaald in bijlage VIII, en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van onderwijsleerpakket voor het aantal groepen op basis van het aantal gewogen leerlingen, zoals normatief kan worden gevormd op de meest recente teldatum. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in paragraaf 3 van deel B van deze bijlage.
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair, voor een school voor (speciaal) voortgezet onderwijs wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair is verstrekt, zoals bepaald in bijlage VIII, en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair voor het aantal groepen zoals normatief kan worden gevormd op basis van de meest recente teldatum.
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste aanschaf van het meubilair dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het meubilair, voor een basisschool wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor eerste aanschaf van het meubilair is bekostigd, zoals bepaald in bijlage VIII, en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor het aantal ongewogen groepen zoals normatief kan worden gevormd op de meest recente teldatum. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in paragraaf 1.3 van deel B van deze bijlage.
Voor een basisschool wordt een toeslag onderwijsleerpakket tweede speellokaal toegekend indien er sprake is van uitbreiding met een tweede speellokaal. Voor een basisschool wordt een toeslag meubilair tweede speellokaal toegekend indien er sprake is van uitbreiding met een tweede speellokaal.
Voor een speciale school voor basisonderwijs wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair, bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair is bekostigd en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair voor het aantal groepen zoals normatief kan worden gevormd, op basis van de meest recente teldatum.
De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening verwijdering noodlokalen c.q. semi permanente lokalen wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om tot verwijdering van de noodlokalen c.q. semi permanente lokalen te kunnen overgaan.
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, aanpassing, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, onderhoud, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
4. Gymnastiekruimten
De omvang van de goedgekeurde (vervangende) nieuwbouw wordt bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze bijlage.
De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I).
De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs.
De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.
De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.
De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
DEEL D Minimumnormen bij realisering
1. School voor basisonderwijs
Minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3 m² per leerling met een minimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 m² netto.
1 speellokaal per school met een minimum netto oppervlakte van 84 m²; vanaf de veertiende groep een tweede speellokaal met een minimum netto oppervlakte van 84 m².
Minimum oppervlakte leslokaal: 42 m² netto.
2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs
Minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3 m² per leerling met een minimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 m² netto.
Minimum oppervlakte leslokaal: 42 m² netto.
3. Gymnastiekruimten
De oefenruimte is minimaal 252 m² netto.
De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 meter.
Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimtes met een was-/douchegelegenheid.
Hoofdstuk 7.
Artikel 8
Overgang- en slotbepalingen
Onderdeel van Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Bergen op Zoom 2014