**1..** Minimaal één keer per drie jaar vindt een beoordelingsgesprek plaats tussen de medewerker en de direct leidinggevende.
**2..** Elk besluit met gevolgen voor de rechtspositie van de medewerker dient gebaseerd te zijn op een beoordeling. Zonodig dient met dit doel tussentijds een beoordeling van het functioneren te worden opgemaakt.
**3..** Een beoordelingsgesprek vindt in ieder geval plaats voorafgaand aan: a. een besluit tot aanstelling in vaste dienst, nadat minimaal éénmaal een voortgangsgesprek heeft plaatsgevonden; b. een besluit tot bevordering van aanloopschaal naar functieschaal; c. een besluit tot toekenning van een al dan niet structurele beloningsvorm; d. een besluit tot het opdragen van een lagere functie in verband met het functioneren.
**4..** Indien naar het oordeel van de beoordelaar aanleiding bestaat tot een frequentere beoordeling kan van lid 1 worden afgeweken. De direct leidinggevende is bevoegd om bij een verhoogde frequentie af te wijken van de in artikel 3:1 genoemde termijn van zes maanden.
**5..** Op verzoek van de medewerker kan een beoordelingsgesprek worden gehouden.