Indien de eigenaar van een woning een aanvraag voor bijstand doet, zal altijd nagegaan moeten worden of de bijstand in de vorm van een geldlening moet worden verstrekt (artikel 50 WWB). Onder het begrip woning wordt ook verstaan een woonwagen of een woonschip (artikel 3 lid 6 WWB).
De belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, heeft recht op bijstand voorzover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.
Indien voor de belanghebbende, recht op algemene bijstand bestaat, heeft die bijstand de vorm van een geldlening:
indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid, WWB; en
voorzover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d, WWB.
Aan de geldlening worden in elk geval verbonden de voorwaarden genoemd in de beleidsregel nummer 20. Deze voorwaarden worden samen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte.
De geldlening, is de laatst vastgestelde WOZ-waarde, vermeerderd met de kosten van vestiging van de krediethypotheek. De daarop drukkende schulden en het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34 lid 2 onder d WWB worden hier in mindering op gebracht.
Artikel 25