Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Ontwikkelingen ten aanzien van coffeeshops

Onderdeel van Nuloptiebeleid t.a.v. coffeeshops

Het strafrechtelijk gedoogbeleid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van softdrugs had oorspronkelijk tot doel om de markten van softdrugs en harddrugs te scheiden. Volgens het Kabinet hebben de bonafide coffeeshops bewezen een bijdrage te leveren aan de afscherming van softdrugsgebruikers tegen de wereld van harddrugs. Echter, veranderende externe factoren hebben geleid tot onvoorziene, negatieve neveneffecten van dit gedoogbeleid. Op de eerste plaats is de verkoop van geringe hoeveelheden softdrugs die aanvankelijk slechts werd toegelaten in jongerencentra in grote delen van het land allengs mede in handen gekomen van commerciële uitbaters. De kleinhandel in softdrugs heeft daardoor in de jaren tachtig en negentig in veel gemeenten een grote vlucht genomen. De veelheid aan coffeeshops in sommige gemeenten werkt overlast (verkeer, geluid, vandalisme en sociale onveiligheid) en tevens de handel in hard­drugs in de hand (de opbrengst van de handel in softdrugs is vaak te klein voor een rendabele exploitatie). Naast een vergroting van het aanbod op de softdrugsmarkt is tevens een stijging in de vraag naar softdrugs waar te nemen: het gebruik van soft­drugs neemt toe. De wildgroei van coffeeshops in de jaren tachtig en negentig in combinatie met een gebrek aan controle en voorlichting zijn mede debet aan de ontstane houding onder met name de jeugd ten aanzien van softdrugs. Er is een beeld ontstaan dat het gebruik van en de handel in softdrugs legaal zijn, dat het gebruiken van softdrugs volkomen onschadelijk is en dat gebruiken "nor­maal" is. Het bestaan van dit beeld wordt bevestigd door de resultaten van een recent gehouden GGD-onderzoek onder jongeren in Zuid-Oost Brabant. Een andere veranderende externe factor betreft de opkomst van de zogenaamde synthetische drugs, waaronder XTC. Het betreft hier veelal harddrugs die goedkoop en makkelijk verhandelbaar zijn. Het aantal gebruikers van deze synthetische drugs is de laatste jaren fors gestegen. De komst van de synthetische drugs heeft, aangezien deze niet in coffeeshops verhandeld mogen worden, de groei van straathandel en handel vanuit woonhuizen in de hand gewerkt. De straatdealers en huisdealers beperken zich veelal echter niet tot de handel in synthetische drugs, maar voorzien ook in andere soft- en harddrugs. Deze "ongecontroleerde" dealers zijn daarmee voor de afnemers vaak interes­santer dan de "gecontroleerde" coffeeshop waar alleen softdrugs verkrijg­baar (mogen) zijn. De veronderstelling dat met de vestiging van een coffeeshop de straathandel en de handel vanuit woonhuizen zou afnemen is dan ook niet juist. Het gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops als instrument om de scheiding van de softdrugsmarkt en de harddrugsmarkt te bewerkstelligen of te handhaven, werkt niet. Scheiding van markten lijkt met de (op)komst van de synthetische drugs een utopie geworden. Vóór de grote toename van het aantal coffeeshops in met name de (grotere) steden, werd drugsoverlast voornamelijk veroorzaakt door harddrugsverslaaf­den (verwervingscriminaliteit). Toename van het druggebruik en de handel in drugs (ook softdrugs) hebben tot gevolg dat de drugsoverlast vandaag de dag niet alleen verband houdt met harddrugs, doch ook gelieerd is met de handel in en het gebruik van softdrugs. Zowel de vestiging van een coffeeshop als het gebruik van (soft) drugs op straat in de woonomgeving wordt door omwonenden veelal beschouwd als een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit blijkt onder meer uit meldin­gen bij de politie en klachten bij de gemeente. Hierbij speelt de maat­schappe­lijke acceptatie ten aanzien van drugs(handel) een rol: in een plattelands­gemeente zal men deze aantasting eerder ervaren dan in de (grotere) stad. Een van de factoren die bijdragen aan overlast in de nabijheid van coffee­shops is de aanzuigende werking die een coffeeshop uitoefent op klanten van buiten de gemeente. Deze aanzuigende werking reikt zelfs verder dan de landsgrenzen, waardoor de Nederlandse coffees­hops onderwerp van een internationale discussie zijn. Er kan niet aan voorbij worden gegaan dat het voor buitenlanders interessant is om in Nederland (soft)drugs te kopen, zeker na het wegvallen van grenscontroles. Het merendeel van de coffeeshops heeft dan ook klanten uit omliggende landen. Dit beeld wordt bevestigd door de resultaten van gerichte politieacties. Nationaal is de discussie gevoerd om de verkoop van softdrugs aan buiten­lan­ders te verbieden. Een dergelijk verbod zou echter in strijd zijn met de Grondwet en kan om die reden niet worden ingesteld. Tot slot dient opgemerkt te worden dat de algemene problematiek rondom softdrugs steeds groter wordt. Enkele jaren geleden beperkte de (versla­vings) problemen zich tot de handel in en het gebruik van harddrugs. De laatste tijd worden de schadelijke gevolgen (en niet alleen ten aanzien van de gezondheid) van softdrugsgebruik en -handel ook steeds duidelijker. De toename van het (soft)druggebruik door jeugdigen (aantal gebruikers, frequentie) zoals die uit diverse onderzoeken blijkt, is alarme­rend te noemen. Het is de vraag of het strafrechtelijk gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops als effectief instrument tegen de toenemende drugsproblematiek kan worden beschouwd. De hierboven weergegeven informatie biedt voldoende aanknopingspunten voor de noodzaak tot het opstellen van een lokaal coffeeshopbeleid. Dit lokale beleid is nader uitgewerkt in de hoofdstukken 3 en 4 van deze notitie.

Rechtspraak bij dit artikel