Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 6

Het niet bewonen van een woning, verblijf in een instelling voor maatschappelijke opvang

Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen wet investeren in jongeren 2009

1.. De toeslag voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder die geen woning bewoont, wordt met 10 procent van de gehuwdennorm verlaagd. 2.. De gehuwdennorm wordt met 10 procent verlaagd voor gehuwden die geen woning bewonen. 3.. De hoogte van de uitkering aan een ongehuwde die geen woning bewoont maar die blijk geeft voor een ander te zorgen als bedoeld in artikel 3 van de wet wordt als volgt vastgesteld: dde toeslag wordt met 20 procent van de gehuwdennorm verlaagd en de norm als bedoeld in artikel 26 onder b of artikel 27 onder b wordt met 5 procent van de gehuwdennorm verlaagd. 4.. In afwijking van het gestelde in het eerste, tweede en derde lid wordt voor een jongere die verblijft in een instelling voor maatschappelijke opvang de toeslag of de gehuwdennorm niet verlaagd. 5.. Het gestelde in het vierde lid is niet van toepassing op een jongere die uitsluitend gebruik maakt van nachtopvang die door een instelling voor maatschappelijke opvang wordt aangeboden. 6.. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het vijfde lid, wordt overeenkomstig het gestelde in het eerste, tweede of derde lid gehandeld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel