Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 2

Artikel 22

Spreekrecht

Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad 2014

1.. Na de opening van de vergadering kunnen de aanwezigen het woord voeren over al dan niet op de agenda vermelde onderwerpen. 2.. Het woord kan niet gevoerd worden: a.. over een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar of beroep op de rechter openstaat of heeft opengestaan; b.. over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; c.. indien een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend. 3.. De in het eerste lid bedoelde personen, niet zijnde de leden van de raad, die van het spreekrecht gebruik willen maken, melden dit vóór aanvang van de vergadering bij de griffier. 4.. De leden van de raad kunnen slechts het woord voeren over niet op de agenda vermelde onderwerpen indien zij dit uiterlijk 12.00 uur op de maandag voorafgaand aan de vergaderinghebben gemeld bij de griffier. 5.. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding van eerst de niet raadsleden en vervolgens voor de raadsleden. Het presidium kan voorstellen van deze volgorde af te wijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering. 6.. a. De totale beschikbare spreektijd bedraagt maximaal 20 minuten voor niet raadsleden en maximaal 20 minuten voor raadsleden. b.. Zij die zich als spreker hebben aangemeld, krijgen van de voorzitter opeenvolgend gedurende maximaal 5 minuten het woord. Indien zich meer dan vier sprekers hebben aangemeld, wordt de totale spreektijd evenredig over hen verdeeld. De voorzitter kan tevens in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd. 7.. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De voorzitter of een lid van de raad doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van de burger. 8.. Nadat een lid van de raad gebruik heeft gemaakt van de hem gegeven spreektijd antwoordt het college binnen de haar gegeven spreektijd, tenzij het presidium gebruik heeft gemaakt van de in het vijfde lid gegeven mogelijkheid. 9.. Vervolgens krijgen zowel de in het vorige lid genoemde raadslid en de overige raadsleden de gelegenheid om in één termijn op het antwoord van het college te reageren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel