Met toepassing van de onder 2.2a.1.6 van de verordening genoemde weigeringgronden houdt de
burgemeester rekening met:
het karakter van de straat en de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal zijn gelegen;
de aard van de inrichting;
de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting;
de concentratie van de inrichtingen in een bepaald gebied;
de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de inrichting in deze of andere inrichtingen;
de wijze van exploitatie van de inrichting in het verleden, voor zover de exploitant en beheerder onveranderd is gebleven;
het maximaal toegestane aantal inrichtingen als bedoeld in artikel 2.2a.1.2, lid 2 en 3 van de verordening.
Artikel 3
Weigeringgronden
Onderdeel van Beleidsregeling hoofdstuk 2, afdeling 2a, paragraaf 1, APV-regeling Woon- en leefklimaat 2009