De uitkering wordt naar de mate waarin belanghebbende inkomen uit of in verband met arbeid zou hebben kunnen verwerven voor de duur van 2 maanden geweigerd indien belanghebbende:
door eigen toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en dit belanghebbende naar het oordeel van het college volledig is aan te rekenen
weigert hem aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden.
In afwijking van het gestelde in artikel 14 onder a tot en met c wordt geen maatregel opgelegd maar wordt de uitkering geweigerd naar de mate waarin belanghebbende inkomen uit of in verband met arbeid zou hebben kunnen verwerven voor de duur van 2 maanden als belanghebbende zich zodanig gedraagt dat er naar het oordeel van het college sprake is van het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid en dit belanghebbende in ernstige mate is aan te rekenen.
Hoofdstuk
Artikel 18
Gedragingen van de Achtste categorie
Onderdeel van Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ gemeente Zwolle 2010