Naar hoofdinhoud

Artikel 20

Primaat collectief vervoer (CVV)

Onderdeel van Nadere regels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2014

Een persoon met beperkingen kan voor een vervoersvoorziening in aanmerking komen indien: de geobjectiveerde loopafstand minder dan 800 meter bedraagt; de persoon met beperkingen door de geobjectiveerde loopbeperking geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer; de persoon met beperkingen een aantoonbare vervoersbehoefte heeft binnen de regio. Indien de geobjectiveerde loopbeperking meer dan 800 meter is, kan de persoon met beperkingen in uitzondering van lid 1 in aanmerking komen voor een pasje voor het collectief vervoer, indien de persoon wegens aantoonbare beperkingen niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen, maar wel zelfstandig met het collectief vervoer. Bij de keuze van de meest adequate vervoersvoorziening geldt het primaat van het collectief vervoer. Indien het collectief vervoer een compenserende oplossing is voor de persoon met beperkingen, dan kan deze persoon maximaal 2000 kilometer per jaar reizen met het collectief vervoer. Indien er aantoonbaar niet met het collectief vervoer gereisd kan worden, kan de persoon met beperkingen door de vervoerder van het collectief vervoer individueel worden vervoerd. Indien uitsluitend met een individuele (rolstoel)taxi gereisd kan worden, dan wordt dit doorgegeven aan de collectieve vervoerder. Dit betekent dat de persoon met beperkingen die hiervan gebruik maakt, dezelfde ritbijdrage betaalt als voor het collectief vervoer. Ook in dit geval is het maximaal aantal te reizen kilometers (2000) per jaar van toepassing, zoals bedoeld in lid 3.

Rechtspraak bij dit artikel