**1..** Toehoorders kunnen het woord voeren over geagendeerde
onderwerpen.
**2..** Wie van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit voor de
aanvang van de vergadering bij de voorzitter, dan wel de
griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam en hoedanigheid,
alsmede het onderwerp waarover hij het woord wil voeren. Als de
spreker het woord wil voeren namens een ander, overlegt hij -
als de voorzitter daarom vraagt - tevens een schriftelijke en
getekende machtiging van die ander.
**3..** De voorzitter bepaalt de volgorde van de sprekers en geeft hen
aan het begin van de vergadering het woord.
**4..** Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De
voorzitter kan in bijzondere gevallen afwijken van de maximale
lengte van de spreektijd.
**5..** De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft
verleend.
**6..** De sprekers dienen zich te beperken tot het verstrekken van
informatie, het geven van een toelichting of het beantwoorden
van vragen van de raadsleden met betrekking tot het onderwerp,
waarover zij het woord willen voeren.
**7..** De voorzitter kan, indien hij dit nodig acht voor de orde van de
vergadering, een spreker het woord ontnemen.
**8..** De leden van de raad kunnen, nadat de sprekers het woord hebben
gevoerd, eventuele vragen stellen naar aanleiding van door de
toehoorders gemaakte opmerkingen. Er wordt echter niet met de
toehoorders in discussie getreden.
Hoofdstuk III › Paragraaf 2.
Artikel 25
Spreekrecht
Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad