Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.3.1

Gezamenlijke huishouding/leefeenheid

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning

De definitie van gezamenlijke huishouding is opgenomen in de Wmo art. 1 lid 4: Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Lid 5: Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en: zij met elkaar gehuwd zijn (geweest) of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee  gelijk zijn gesteld, uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander, zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouden krachtens een geldend samenlevingscontract, of zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding  die naar de aard en strekking overeenkomstig met de gezamenlijke huishouding , bedoeld in het vierde lid. Naast dit begrip gezamenlijke huishouding is, in het kader van de gebruikelijke zorg, de leefeenheid van belang omdat bij het leveren van gebruikelijke zorg niet alleen wordt uitgegaan van volwassenen maar ook van minderjarigen die in het huishouden aanwezig zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel