Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 11

Artikel 11.3

Soort voorziening

Onderdeel van Beleidsregels voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder 2014

Om het resultaat te bereiken kan een rolstoel worden verleend. Onder rolstoel wordt een voorziening verstaan die de belanghebbende dagelijks zittend nodig heeft voor het zelfstandig verplaatsen in en om de woning. De rolstoel kan met de handen aan de achterste wielen worden aangedreven, maar ook elektrisch. Ook zijn er motoren die op een rolstoel aangebracht kunnen worden om het rijden met de rolstoel te ondersteunen, lichter te maken. Incidenteel gebruik In principe zal een hulpmiddel voor verplaatsing in, om en nabij het huis verstrekt worden als men een dergelijke voorziening voor dagelijks (zittend) gebruik nodig heeft. Een rolstoel voor incidenteel gebruik valt hier niet onder. Doorgaans wordt deze gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat zonder een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots, of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen en dergelijke. Uitgangspunt is dat een rolstoel alleen verstrekt wordt indien die noodzakelijk is voor het dagelijks zittend verplaatsen in, om en nabij de woning. Afbakening Wmo en uitleen Zwv Vanaf 1 januari 2013 wordt de uitleen van hulpmiddelen onder de Zvw gebracht. Het gaat om rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. In verband met de afbakening tussen de Zvw en de Wmo wordt gesproken van "een beperkte of onzekere duur" in plaats van 26 weken (twee keer drie maanden uitleen). Is de belanghebbende vanwege de beperkingen echter aangewezen op permanent gebruik, dan wordt het hulpmiddel verstrekt op grond van de Wmo. Het gaat daarbij om rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen bij het wassen en de toiletgang. Eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen De reden om de rollator en andere eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen uit het basispakket te halen is dat de verzekerde ook zelf een verantwoordelijkheid heeft en dat zij zorg waarvan de kosten te overzien zijn en die bij het dagelijks leven behoren, zelf kunnen dragen. Voorbeelden van eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen zijn krukken, loophulpen met drie of vier poten, looprekken en rollators. Het college heeft dan ook geen compensatieplicht. Analoog aan de uitleg van artikel 15 WWB zijn de eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen uit de AWBZ geschrapt omdat deze voorzieningen gezien de lage kosten en de duurzaamheid voor eigen rekening komen. Er kan weliswaar - voor de problematiek in voorkomende gevallen - aanleiding zijn voor de noodzaak tot ondersteuning, maar de eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen zijn bewust door de wetgever uit de voorliggende wettelijke regeling (in dit geval de AWBZ) gehaald. Het ligt dan ook niet op de weg van de Wmo om die voorziening te verstrekken. Afbakening Wmo en AWBZ De belanghebbende heeft recht op een rolstoel op grond van de AWBZ als zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie “behandeling” wordt verzilverd in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. In andere gevallen wordt de rolstoel op grond van de Wmo verstrekt. Het is van belang dat goed wordt uitgezocht op grond van welke regeling aanspraak bestaat.

Rechtspraak bij dit artikel